HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/03841 Br Datum 7 april 2020 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2019, nummer RK 18/2836, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.1.11 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de klager. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De raadsvrouw van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2De beschikking van de rechtbank 2.1 Het gaat in deze zaak om een verzoek om rechtshulp van de justitiële autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, dat er onder meer toe strekt dat in het kader van een strafzaak tegen de klager, die wordt verdacht van - kort gezegd - het onrechtmatig uitvoeren van goederen uit de Verenigde Staten van Amerika naar Iran, voorwerpen in beslag zullen worden genomen onder de klager en zullen worden overgedragen aan de verzoekende Staat. Naar aanleiding van dit rechtshulpverzoek is onder de klager beslag gelegd op de voorwerpen die hij bij zijn aanhouding bij zich had, waaronder bankpassen, telefoons en een laptop. Namens de klager is een klaagschrift ingediend strekkende tot opheffing van het gelegde beslag en teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager.Met de inwerkingtreding op 1 juli 2018 (Stb. 2017, 492) van de Wet van 7 juni 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten met het oog op het moderniseren van de regeling van internationale samenwerking in strafzaken (herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken), Stb. 2017, 246, is de in de artikel 5.1.10 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) neergelegde regeling betreffende de overdracht van resultaten van de uitvoering van een rechtshulpverzoek aan het buitenland ingevoerd en is artikel 552p Sv vervallen. Artikel 5.1.11 lid 1 Sv voorziet daarbij in de mogelijkheid om - kort gezegd - een klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv in te dienen bij de rechtbank. Artikel 5.1.11 lid 3 Sv verklaart daarbij de artikelen 552a, 552d Sv lid 1 en lid 2 en 552e lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het rechtshulpverzoek, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift. 2.2 Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 16 januari 2019 houdt onder meer het volgende in: “De voorzitter deelt mede: Het is ook de vraag of de rechtbank nog een afzonderlijke beslissing moet nemen in deze zaak. De goederen zijn bij de klager in beslag genomen in verband met het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan zijn uitlevering is verzocht. De raadsvrouw heeft in haar brief van 8 januari 2019 naar voren gebracht dat er voor wat betreft deze goederen twee overdrachtverzoeken liggen, namelijk het verzoek dat is gebaseerd op het rechtshulpverdrag en het verzoek ex artikel 17 van het Uitleveringsverdrag om alle goederen uit te leveren. Zij stelt dat artikel 17 van het Uitleveringsverdrag op dit moment de enige basis voor het verzoek tot overdracht van de in beslag genomen goederen is. Zij stelt dus, naar de rechtbank begrijpt, dat daarop moet worden beslist in de uitleveringszaak. De officier van justitie deelt mede: Daar verzet ik mij wel tegen. Met betrekking tot de inbeslagname en de overdracht van deze goederen is een apart rechtshulpverzoek ingediend. De goederen zijn op grond van dat verzoek in beslag genomen. Het betreft dus een aparte zaak. Als dit niet als aparte zaak wordt behandeld, kunnen de in beslag genomen goederen pas worden overgedragen als de klager (opgeëiste persoon) wordt uitgeleverd. Dat zou leiden tot vertraging. In beide zaken bestaat dezelfde rechtsbescherming. Het is niet zo dat artikel 17 van het Uitleveringsverdrag en artikel 47 van de Uitleveringswet een betere rechtsbescherming bieden. De raadsvrouw deelt mede: Het uitleveringsverzoek is volgens mij het enige nog geldende verzoek voor de overdracht van de in beslag genomen goederen, omdat het rechtshulpverzoek is ingehaald door de indictment. Het verzoek om overdracht van de stukken kan alleen nog gebaseerd zijn op artikel 17 van het Uitleveringsverdrag, Ik ben daarom van mening dat hierop moet worden beslist in de uitleveringszaak. Voor de overdracht gelden dan dezelfde vereisten als voor de toelaatbaarheid van de uitlevering. Als de uitlevering niet toelaatbaar wordt verklaard, kunnen de goederen ook niet worden overgedragen. Wanneer de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel is dat het rechtshulpverzoek de grondslag is voor de inbeslagname en de overdracht van de goederen, zal het wel als een aparte zaak moeten worden behandeld. De officier van justitie deelt mede: Hetgeen de raadsvrouw aanvoert, gaat over de indictment. Het uitleveringsverzoek vervangt niet het rechtshulpverzoek. In dit geval heb ik contact gehad met de Amerikaanse autoriteiten. Zij hebben uitdrukkelijk gekozen voor het indienen van een apart rechtshulpverzoek omdat zij door willen kunnen gaan met het onderzoek. Het is dus een zelfstandige procedure. De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad. De voorzitter deelt na hervatting van het onderzoek mede dat de rechtbank als volgt heeft beslist. De rechtbank gaat uit van twee afzonderlijke zaken. De redenering van de raadsvrouw dat het rechtshulpverzoek is ingehaald door de indictment volgt de rechtbank niet. Er is een apart rechtshulpverzoek ingediend en dat is de grondslag voor de inbeslagname en op basis daarvan moet een beslissing worden genomen ten aanzien van het verzoek tot overdracht van de goederen. Het wordt dus als aparte zaak behandeld. De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit. De raadsvrouw deelt in aanvulling op haar pleitnotities mede: Punt 58: als het rechtshulpverzoek wordt gezien als grondslag voor de verzochte overdracht van de goederen en die overdracht bij ongegrondverklaring van het beklag daadwerkelijk plaatsvindt, is dat heel onwenselijk. Dan kunnen de Amerikaanse autoriteiten deze goederen al onderzoeken, terwijl de uitleveringszaak nog loopt en daarin mogelijk zal worden beslist dat de uitlevering in zijn geheel of voor een deel van de indictment ontoelaatbaar is.” 2.3 De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in: “4.1. Grondslag rechtshulpverzoek De door de Amerikaanse autoriteiten gedane rechtshulpverzoeken zijn onder meer gebaseerd op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981 (Trb. 1981/188; hierna: het Rechtshulpverdrag) en de daarbij behorende bijlage, welk verdrag is geïncorporeerd in het later gesloten verdrag van 29 september 2004 (Trb. 2004/300, in werking getreden 1 februari 2010). 4.2. Juridisch kader Vooropgesteld wordt dat indien, zoals hier, een rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag, gelet op het bepaalde in artikel 5.1.4, tweede lid, Sv zoveel mogelijk aan dat verzoek gevolg dient te worden gegeven. Er kan slechts van inwilliging van het verzoek worden afgezien als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag dan wel de wet (in het bijzonder de weigeringsgronden die zijn genoemd in het verdrag en artikel 5.1.5 Sv) of indien door inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, NJ 2002/580). Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Rechtshulpverdrag geeft de aangezochte staat gevolg aan verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming overeenkomstig zijn wetten en gebruiken, indien op het desbetreffende feit krachtens de wetten van beide verdragsluitende partijen een vrijheidsstraf is gesteld van meer dan een jaar dan wel - indien daarop een kortere vrijheidsstraf is gesteld - dat feit is vermeld in de bijlage bij dit verdrag. Voorts dient de Nederlandse rechter op grond van artikel 6, tweede lid, te beoordelen of de in het rechtshulpverzoek voorkomende materiële beschrijving van de door de verzoekende staat strafbaar geachte gedragingen (de uiteenzetting van feiten) de bestanddelen bevat van een in Nederland strafbaar gesteld feit. In artikel 5.1.8, eerste lid Sv, is als criterium gesteld dat in Nederland opsporingsbevoegdheden worden toegepast, voor zover deze eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar dezelfde feiten. Ook dit criterium impliceert dat moet zijn voldaan aan de vereisten van dubbele strafbaarheid. Daarnaast moeten de in beslag genomen voorwerpen, in dit geval op grond van artikel 94 juncto 95 Sv, ook vatbaar zijn geweest voor inbeslagneming indien de feiten in Nederland zouden zijn begaan. 4.3. Dubbele strafbaarheid In het rechtshulpverzoek en de overige verstrekte stukken, zoals de Indictment en de lijst met goederen, zijn de feiten en omstandigheden uitgewerkt die hebben geleid tot de verdenkingen. Ook zijn daarbij de strafbepalingen alsmede de daarin opgenomen delictsomschrijvingen genoemd. Uit de stukken volgt dat de klager in het Amerikaanse strafrechtelijk onderzoek wordt verdacht van de volgende feiten: 1. samenzwering (‘conspiracy’) aangaande (a.) het onrechtmatig (zonder vergunning) uitvoeren van Amerikaanse goederen naar Iran en (b.) het oplichten van de Verenigde Staten en het Amerikaanse ministerie van Financiën, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 371; 2. het opzettelijk onrechtmatig, namelijk zonder voorafgaande vergunning, (laten) uitvoeren of wederuitvoeren van goederen uit de Verenigde Staten naar Iran, in strijd met titel 50, United States Code, sectie 1705 en titel 31, Code of Federal Regulations, secties 560.203, 560.204 en 560.205; en het uitlokken van en het medeplichtig zijn aan alsmede het aanzetten tot het uitvoeren van die handeling, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 2; 3-7. het opzettelijk pogen om onrechtmatig, namelijk zonder voorafgaande vergunning, goederen uit de Verenigde Staten naar Iran te (laten) uitvoeren of wederuitvoeren, in strijd met titel 50, United States Code, sectie 1705 en titel 31, Code of Federal Regulations, secties 560.203, 560.204 en 560.205; en het uitlokken van en het medeplichtig zijn aan alsmede het aanzetten tot het uitvoeren van die handeling, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 2; 8. samenzwering aangaande het witwassen van monetaire instrumenten (‘conspiracy to launder monetary instruments’), in strijd met titel 18, United States Code, sectie 1956(h); 9-13. het internationaal witwassen van geld, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 1956(a)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.