HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/03985 H Datum 21 april 2020 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 juli 2013, nummer 22/002166-11, ingediend door R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, namens [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de aanvrager. 1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 april 2011 - de aanvrager ter zake van ‘een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis. 2De aanvraag tot herziening 2.1 De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2 De aanvraag is gebaseerd op een naar aanleiding van een klacht van de aanvrager gedane uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 28 mei 2019, nr. 23192/15, waarin is vastgesteld dat artikel 6 lid 1 en lid 3, onder c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) zijn geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid. 3De conclusie van de advocaat-generaal De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, daarbij voor zover nodig de opschorting of de schorsing van de tenuitvoerlegging van het voormelde arrest van het gerechtshof Den Haag zal bevelen en de zaak op de voet van artikel 472 lid 1 in verband met artikel 471 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zal verwijzen naar een ander hof. 4Beoordeling van de aanvraag 4.1 Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang op grond van artikel 457 lid 1, aanhef en onder b, Sv slechts dienen een uitspraak van het EHRM waarin is vastgesteld dat het EVRM dan wel een protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit op grond van dezelfde bewijsmiddelen heeft geleid, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in artikel 41 EVRM. 4.2 De uitspraak van het EHRM is gewezen naar aanleiding van een klacht van de aanvrager die hij heeft ingediend nadat de Hoge Raad bij arrest van 18 november 2014 het cassatieberoep tegen het arrest waarvan herziening wordt gevraagd, had verworpen. De klacht had betrekking op het aan de aanvrager onthouden van rechtsbijstand tijdens de politieverhoren die hebben plaatsgehad op 20 en 21 augustus 2009. Het EHRM heeft ten aanzien daarvan in zijn uitspraak onder meer het volgende overwogen en beslist: “29. After its judgment in Salduz v. Turkey ([GC], no. 36391/02, ECHR 2008) (see paragraph 17 above), the Court further clarified the general principles to be applied in cases concerning a restriction on the right of access to a lawyer and fairness of the proceedings in Ibrahim and Others v. the United Kingdom ([GC], nos. 50541/08, 50571/08, 50573/08 and 40351/09, §§ 249-74 ECHR 2016); and Simeonovi v. Bulgaria ([GC], no. 21980/04, §§ 110-20, ECHR 2017 (extracts); and confirmed them recently in Beuze v. Belgium ([GC], no. 71409/10, §§ 119‑50, 9 November 2018). 30. Applying those principles to the present case, the Court observes at the outset that it is not in dispute that, having been arrested on suspicion of distribution of child pornography and finding himself in police custody, the applicant was charged with a criminal offence within the meaning of Article 6 § 3 of the Convention (see Ibrahim and Others, cited above, § 249, and Simeonovi, cited above, §§ 110-11, and the case-law cited therein). As such, the guarantees laid down in Articles 6 §§ 1 and 3 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.