← Nederland

ECLI:NL:HR:2020:766

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/05577 H Datum 21 april 2020 ARREST op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2018, nummer 10/710280-15, ingediend door P.A.M. van Hoef, advocaat te Venray, namens [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de aanvrager. 1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De rechtbank heeft de aanvrager ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 236 uren, subsidiair 118 dagen hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. 2De aanvraag tot herziening 2.1 De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2 De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van de niet eerder gehoorde getuige, [betrokkene 1], blijkt dat de motoragent [slachtoffer] voorafgaand aan het ongeval – bestaande uit een aanrijding van de motor van de motoragent door de vrachtwagencombinatie van de aanvrager – anders heeft gehandeld dan blijkens de bewijsvoering is vastgesteld in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Uit de verklaring van deze nieuwe getuige zou blijken dat – anders dan door de rechtbank is vastgesteld – de motoragent zich direct voorafgaand aan het ongeval niet steeds aan de voorzijde van de vrachtwagencombinatie van de aanvrager heeft bevonden. Ter staving van deze stelling is onder meer een e-mailbericht van 21 mei 2018 van [betrokkene 1] bijgevoegd, waarin zij verklaart te hebben gezien dat de motoragent direct voorafgaand aan het ongeval vanaf een naastgelegen rijstrook een snelle manoeuvre van rechts naar links voorlangs de vrachtwagencombinatie van de aanvrager heeft gemaakt en dat de motor vervolgens door de aanvrager “aan de zijkant achter” werd geraakt. 3De conclusie van de advocaat-generaal 3.1 De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen. 3.2 De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd. 4Beoordeling van de aanvraag 4.1 Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, op grond van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. 4.2 Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie onder 9 tot en met 16 vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge artikel 470 Sv worden afgewezen. 5Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.