HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 18/01694 Datum 15 mei 2020 ARREST in de zaak van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 maart 2018, nrs. 16/00153 tot en met 16/00156, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 12/312 tot en met HAA 12/315) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 4 juni 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2Beoordeling van de middelen 2.1.1 Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (hierna: het verdedigingsbeginsel) heeft geschonden doordat hij aan belanghebbende uitnodigingen tot betaling heeft doen uitreiken zonder haar vooraf op de hoogte te stellen van zijn voornemen hiertoe en zonder haar in de gelegenheid te stellen om op dat voornemen te reageren. 2.1.2 Het Hof heeft geoordeeld dat in dit geval geen afbreuk wordt gedaan aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging. Het Hof heeft dit oordeel onder meer gegrond op zijn uitleg van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 december 2017, Prequ’ Italia. 2.1.3 Voor het geval moet worden aangenomen dat de Inspecteur het verdedigingsbeginsel wel heeft geschonden, heeft het Hof geoordeeld dat deze schending niet leidt tot vernietiging van de bestreden uitnodigingen tot betaling. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende namelijk niet aannemelijk gemaakt dat, zonder de schending van het verdedigingsbeginsel, zij een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de uitnodigingen tot betaling van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten met een andere afloop had kunnen leiden. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat belanghebbende niet heeft geconcretiseerd welke inbreng zij had willen leveren op basis van een eigen onderzoek dat zij dan vóór het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling had willen uitvoeren, en dat zij evenmin heeft gepreciseerd waarom de door haar gestelde inbreng tot een andere afloop zou hebben kunnen leiden. 2.2.1 Middel III richt zich onder meer tegen het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel van het Hof. Het herhaalt de door belanghebbende in haar pleitnota voor het Hof aangevoerde stellingen dat vanwege de schending van het verdedigingsbeginsel aan belanghebbende de gelegenheid is ontnomen om vóór het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling een eigen onderzoek uit te voeren om daarmee alsnog te bewijzen dat de ingevoerde goederen wel aan alle vereisten voldeden om de oorsprong Jamaica te verkrijgen.Het middel faalt in zoverre. Het oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het preferentieel tarief dat bij de vrijgave van de ingevoerde goederen is toegepast, is op grond van de Overeenkomst van Cotonou, namelijk alleen van toepassing op vertoon van een van de bevoegde Jamaicaanse autoriteiten afkomstig, door hen rechtsgeldig afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.