HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/01794 Datum 13 juli 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 juni 2020, nummer 23-000854-19, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] als getuigen ontoereikend is gemotiveerd, althans dat het gebruik van de eerder door deze getuigen afgelegde verklaringen voor het bewijs onverenigbaar is met artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. 2.2.1 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij: “op 2 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat ] ) heeft weggenomen een tas, merk Guess, een acculader voor een IPhone en Marokkaans geld, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] .” 2.2.2 De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. Een proces-verbaal van aangifte (met goederenbijlage) met nummer PL1300-2017232364-1 van 9 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 9 tot en met 12]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 november 2017 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [betrokkene 1] : Feit: diefstal in/uit woning Plaats delict: [a-straat 1] , [plaats] Pleegdatum: 2 november 2017 Op 2 november 2017 kwam mijn jongste zoon, genaamd: [betrokkene 2] , vanuit school naar onze woning toe. Hij probeerde de deur met zijn sleutel open te maken, echter lukte dit niet omdat het nachtslot aan de binnenzijde van de deur dichtgedraaid was. Hij dacht hierdoor dat er iemand thuis was in de woning. Hij belde een paar keer aan en toen zag hij door het raampje in de deur 3 mannen naar beneden rennen via de trap. Hierop belde [betrokkene 2] direct 112. Hierna heeft [betrokkene 2] mij in paniek gebeld. Ik ben samen met de politie naar binnen gegaan. Op de eerste en tweede etage van mijn woning was de boel overhoop gehaald. Uit de slaapkamer van [betrokkene 2] is zijn iPhone lader gestolen. Op de eerste etage is mijn slaapkamer en die van mijn dochter. Uit mijn slaapkamer is 180 euro in Marokkaanse Dirhams gestolen. Uit de slaapkamer van mijn dochter is haar Guess-tas gestolen. De daders hebben de tuindeur van binnen van de sloten afgehaald en open gezet. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. Bijlage goederen: Goednummer: PL1300-2017232364-5481530 Categorie omschrijving: Geluid en beeldapp/drager Object: Acculader Merk/type: iPhone Goednummer: PL1300-2017232364-5481531 Categorie omschrijving: Zak/tas/koffer Object: Tas (Dames) Merk/type: Guess Kleur: Beige Land: Nederland Bijzonderheden: Shopper model Goednummer: PL 1300-2017232364-5481534 Categorie omschrijving: Geld Object: Geld (Biljetten) Bijzonderheden: 9 biljetten van 200 dirham, totaal 180 euro 2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2017232364 van 13 januari 2017 (het hof begrijpt: 13 januari 2018), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 21 en 22]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op 13 januari 2017 (het hof begrijpt: 13 januari 2018) heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Ik was met tactisch recherchewerk belast op politiebureau Meer en Vaart te Amsterdam. Aldaar keek ik op de aandachtvestigingensite van de politie. Dit is een site waarbij wordt gevraagd om herkenning van verdachten. Alhier zag ik een dia voorbij komen waarbij gevraagd werd om een herkenning van een tweetal personen welke verdacht worden van een inbraak woning op de [a-straat 1] te [plaats] . Op de dia waren een tweetal personen te zien, ik herkende één van deze personen direct. Vanaf nu te noemen NNI. Sign NNI: - Man - Licht getint - Baardgroei - Blauwkleurige jas met capuchon Ik herkende NN 1 op de foto’s direct als zijnde: Naam: [verdachte] Voornaam: [verdachte] Geboortedatum: [geboortedatum] 1992 Geboorteplaats: [geboorteplaats] Ik herken [verdachte] aan de specifieke combinatie van zijn gezicht, neus, lippen, mond, en oren. Ik ken [verdachte] goed van gezicht en vanuit politiewerkervaring. Ik ben gedurende 8 jaar werkzaam in Amsterdam-west en de verschillende stadsdelen welke hierbij horen. Ik ken [verdachte] hierdoor goed. Ik heb hem meerdere keren onderworpen aan controles en hij stond gedurende een lange tijd bij ons op briefingsitems. 3. Een proces-verbaal met nummer 2017232364 van 19 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina 23]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op 19 januari 2018 bekeek ik een opsporingsbericht op de interne politiepagina. Ik zag dat er herkenning werd gevraagd van twee verdachten. Ik zag dat onderstaande foto werd getoond van een verdachte aangeduid als VD1. Ik herkende de verdachte direct als: *** [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] *** Ik herken de verdachte direct bij het zien van de foto. Ik herken de verdachte aan de vorm van zijn hoofd, neus, mond, ogen, oren, wenkbrauwen en haarlijnen. Ik ben goed bekend met [verdachte] . Ik ken [verdachte] in verband met inbraken. [verdachte] maakt deel uit van een groep die veelal onder verdachte omstandigheden wordt aangetroffen net na een inbraak. Ik heb [verdachte] vaker op straat gezien of bij controles. 4. Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar met nummer 2017232364 van 24 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 24 tot en met 27]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op 24 januari 2018 zag ik een aandachtvestiging van de afdeling CUBT West, waarin een afbeelding werd getoond van 2 personen en de volgende informatie werd gegeven: Op 2 november 2017 breken deze 2 verdachten in bij een woning aan de [a-straat 1] . De personen op de afbeelding herken ik als: [betrokkene 3] (14/02/1983) en [betrokkene 4] (17/06/1991). De persoon aangeduid met het cijfer VD1, herken ik als: [betrokkene 3] ( [geboortedatum] 1983) en de persoon aangeduid met VD2, herken ik als [betrokkene 4] ( [geboortedatum] 1991). Ik, verbalisant, ken de bovengenoemde personen ambtshalve. Ik ben sinds 2010 werkzaam in het werkgebied van het basisteam Nieuw-West Zuid. De twee verdachten maken onderdeel uit van een hardnekkige jeugdgroep genaamd de Meentgroep. De leden van deze groep hangen veelvuldig op en rond het Dijkgraafplein. Ik ben in deze tijd wekelijks geconfronteerd met de leden van deze groep en dus ook met deze verdachten. Ik herkende beide personen onmiddellijk aan hun gezicht en lichaamshouding. Tevens hebben beide personen verschillende malen op de briefing gestaan. 5. Een proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar met nummer 2017232364 van 24 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 28 en 29]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant. Op 24 januari 2018 bekeek ik een interne aandachtvestiging van de politie Nederland onder de kop aandachtvestigingen intranet. Ik zag een filmfragment van een verdachte. Ik zag dat er herkenning werd gevraagd van de afgebeelde persoon/verdachte. Ik herkende de verdachte na bestudering van de camerabeelden. Op de afbeelding zag ik een persoon welke ik ambtshalve ken. Identiteit: [verdachte] Geboren [geboortedatum] 1992 ( […] ) te [geboorteplaats] Geslacht: man Ik herken de man als [verdachte] . Ik zag het gezicht duidelijk van de verdachte. Ik herkende de verdachte duidelijk van het screenshot. [verdachte] herken ik aan zijn unieke gezichtskenmerken. Ik ken [verdachte] ambtshalve als veelpleger welke voorkomt als TOP600 subject en welke al jaren in verband wordt gebracht met diverse strafbare feiten. Ik heb in de afgelopen 14 dienstjaren bij de politie Amsterdam zeer veel veelplegers bestudeerd en ken deze bij naam en toenaam. Ik heb mij hierop gespecialiseerd in het onthouden en herkennen van Amsterdamse veelplegers. 6. Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar (met bijlagen) met nummer 2017232364 van 25 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina’s 30 tot en met 33]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op 25/04/2018 zag ik een aandachtvestiging van de afdeling CUBT-West, waarin een afbeelding werd getoond van drie personen, en de volgende informatie werd gegeven: Inbraak woning [a-straat 1] . Op de bewakingsbeelden zag ik dat drie verdachten te zien zijn. Twee verdachten lopen langs de woning. Dit betreffen VD-1 ( [betrokkene 3] ) en VD-2 (NN). De derde verdachte, VD-3, ( [verdachte] - het hof begrijpt telkens [verdachte] -) is samen met VD-2 te zien in de tuin. VD-3 ( [verdachte] ) heeft een baard en een snor en draagt een donkerkleurig hoofddeksel. De persoon aangeduid met VD-3, herken ik als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] . Adres: [b-straat 1] , [plaats] . Ik ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Ik ben werkzaam als hoofdagent in Amsterdam Nieuw West, met name in de omgeving van Osdorp, alwaar [verdachte] woonachtig is. Sedert 2010 heb ik regelmatig politiecontacten gehad met [verdachte] , hetzij d.m.v. staandehoudingen en/of sociale gesprekken. Mij is bekend dat [verdachte] een opvallende baard en snor heeft (inclusief een klein sikje aan de onderzijde van zijn lip). [verdachte] heeft altijd een norse blik in zijn gezicht. [verdachte] heeft een lengte van ongeveer 170 centimeter en verder heeft hij een klein litteken aan de bovenzijde van zijn neus, precies tussen de ogen, en een mager postuur. 7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2017232364-12 van 28 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina 43]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Buit Bij de inbraak is een klein geldbedrag, een iPhone oplader snoertje en een beige Guess tas buitgemaakt. Beelden Op 8 november 2018 zijn de beelden nogmaals bekeken. Guess tas zichtbaar Bij het verlaten van aangever zijn (het hof begrijpt: haar) tuin zijn 2 personen op beeld waar te nemen. Op tijdstip 02-11-2017 18:05:20 uur is te zien dat een persoon (latere herkenning: [betrokkene 4] ) een tas boven zijn hoofd houdt en dat hij met gehandschoende handen de bovenzijde van het hek vasthoudt en dit hek opentrekt. Vervolgens is te zien dat een tweede persoon ( [verdachte] ) ietwat door de knieën gaat en door het hek de tuin verlaat, gevolgd door de eerste persoon [betrokkene 4] . Op de beelden, gedateerd 02-11-2017 18:05:21 uur, is te zien dat de eerste persoon ( [betrokkene 4] ) een beige kleurige tas vast heeft. 8. Een proces-verbaal van onderzoek met nummer PL 1300-2017232364-8 van 13 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] [doorgenummerde pagina’s 4 tot en met 6]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: AANLEIDING ONDERZOEK Op 6 april 2018 heb ik opdracht gekregen om een onderzoek in te stellen naar aanleiding van een aangifte onder nummer 2017232364 ter zake diefstal uit een woning, die bij de politie Eenheid Amsterdam op 9 november 2017 is gedaan. KENNISGEVING VAN INBESLAGNAME BEELDEN Op 7 november 2017 heeft collega [verbalisant 6] beelden in beslag genomen. Deze beelden mogen gebruikt worden voor het onderzoek. FOTOBIJLAGE. Op 29 januari 2018 heeft verbalisant [verbalisant 9] een fotobijlage gemaakt van de aangeleverde beelden. In deze fotobijlage zijn drie personen te zien. Deze foto’s zijn geplaatst op de zogeheten interne aandachtvestigingen pagina. Op deze pagina kunnen collega’s kijken of zij één van de afgebeelde personen herkennen. ONDERZOEK BEELDEN/FOTOBIJLAGE Ik heb de beelden en de fotobijlage bekeken. Ik zag dat er 2 personen via de achtertuin de woning verlieten. Ik zag dat dit in de fotobijlage verdachte 2, [betrokkene 4] , en verdachte 3, [verdachte] , waren. Op de beelden is te zien dat er 2 mannen langs een woning lopen. Verdachte 1, [betrokkene 3] en verdachte 2, [betrokkene 4] . Verdachte 2 vlucht later via de achtertuin, beiden lopen in eerste instantie langs een andere woning. Verdachte [betrokkene 3] is verder niet te zien als [betrokkene 4] en [verdachte] vluchten via de achtertuin.” 2.3.1 Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsvrouw van de verdachte onder meer aangevoerd dat de rechtbank de bewezenverklaring volledig heeft gebaseerd op de herkenning van de verdachte op beelden van een bewakingscamera door de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] en dat deze herkenning onbetrouwbaar is. Ook heeft de raadsvrouw betoogd dat het zeer goed mogelijk is dat de verbalisanten onderling overleg hebben gehad over de herkenning van de verdachte. Verder heeft zij het voorwaardelijke verzoek gedaan om de verbalisanten als getuigen te horen. De pleitnota houdt daarover het volgende in: “92. Mocht uw hof de herkenningen van de verbalisanten toch voor het bewijs willen bezigen en ook niet op andere gronden tot een vrijspraak komen, dan verzoek ik uw hof de vier verbalisanten, te weten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] te mogen horen als getuige. 93. Ik wil hen onder meer bevragen over de volgende zaken. Hoe de herkenningen tot stand zijn gekomen. Of daarover overleg is geweest. Waaraan zij cliënt nu specifiek herkennen. Wat de onderscheidende kenmerken zijn. Waarvan zij cliënt kennen en hoe zij hem dus kunnen herkennen.” 2.3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt verder het volgende in: “De verdachte legt op vragen van het hof een verklaring af, inhoudende: Ik heb niets te maken met de inbraak. Ik ben niet de persoon die op de camerabeelden te zien is. Ik herken mezelf niet op de camerabeelden. (...) De advocaat-generaal deelt mede dat het ressortsparket Amsterdam eveneens over een dvd met bewegende camerabeelden beschikt. De advocaat-generaal verzoekt het hof om een korte onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting, teneinde in de gelegenheid te worden gesteld de betreffende dvd op te halen. De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor korte duur. Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting wordt de dvd met bewegende camerabeelden van het ressortsparket vanaf het tijdstip 18:05:20 uur tot en met het tijdstip 18:05:29 uur afgespeeld. De voorzitter stelt als waarneming van het hof vast dat de zojuist vertoonde bewegende camerabeelden duidelijk en helder zijn en dat daarop twee personen vanaf de zijkant te zien zijn. Voorts stelt de voorzitter als waarneming van het hof vast dat één van die twee personen eveneens te zien is op de zojuist ter terechtzitting getoonde still van de camerabeelden.” 2.3.3 Het hof heeft het verzoek tot het horen van [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] als getuigen afgewezen. Het arrest houdt hierover het volgende in: “De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof voorwaardelijk verzocht om verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] als getuige te doen horen indien het hof de verdachte niet zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde en het hof de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten tot het bewijs zal bezigen. De raadsvrouw heeft in dit verband aangevoerd dat zij voornoemde verbalisanten onder meer wenst te bevragen hoe de herkenningen tot stand zijn gekomen, of daarover overleg is geweest, waaraan zij de verdachte specifiek herkennen, wat de onderscheidende kenmerken zijn, waarvan zij de verdachte kennen en hoe zij hem herkennen. Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw opgegeven vragen reeds worden beantwoord in de daarover opgemaakte processen-verbaal (van herkenning van de verdachte) van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] en het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid (van de inhoud) van de processen-verbaal van voornoemde verbalisanten. Ook overigens ziet het hof, mede gelet op hetgeen het hof hiervoor ten aanzien van de herkenningen heeft overwogen, geen noodzaak voornoemde verbalisanten als getuige te horen. Derhalve wijst het hof het (voorwaardelijke) verzoek af.” 2.3.4 Verder heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen over de betrouwbaarheid van de door de verbalisanten gedane herkenningen: “Herkenning Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Dit geldt temeer indien de herkenningen, zoals in de onderhavige strafzaak, de voornaamste bewijsmiddelen vormen. Uit onderzoek door wetenschappers komt naar voren, zoals ook genoemd in meerdere gepubliceerde uitspraken, dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Ook heeft het vanwege de holistische herinnering aan gezichten weinig zin om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van de verdachte heeft herkend. Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces. Het hof heeft de volgende elementen in zijn beoordeling betrokken. In de eerste plaats heeft het hof aan de hand van de foto’s in het dossier beoordeeld of deze voldoende duidelijk en helder zijn om een herkenning op te kunnen baseren. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.