HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/00254 Datum 21 september 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 januari 2020, nummer 22-000275-19, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur twee cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het tweede cassatiemiddel is later ingetrokken. De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering. 2.2 De verdachte is wegens verduistering, meermalen gepleegd, begaan in de periode van 13 mei 2015 tot en met 24 september 2015, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd: “Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich als eigenaar van een onderneming schuldig gemaakt aan verduistering, door van bestelbussen - die de onderneming via leaseovereenkomsten onder zich had - er één zonder toestemming van de leasemaatschappij te verkopen en twee andere zonder enig voorbehoud beschikbaar te stellen aan een ander. Aldus heeft hij een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Hij heeft daarbij alleen oog gehad voor zijn eigen financiële situatie. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 december 2019, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat op de onderhavige feiten, mede gelet op de ernst daarvan, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf, en dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden een passende sanctie zou zijn geweest. Het hof neemt echter in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, in het bijzonder doordat in eerste instantie de dagvaarding van de verdachte voor de zitting in eerste aanleg op ongeldige wijze is betekend. Gelet hierop zal het hof op de in beginsel passende gevangenisstraf van 3 maanden 1 maand in mindering brengen, zodat een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden resteert.” 2.3 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.