HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 20/01337 Datum 8 oktober 2021 ARREST In de zaak van HAB HOLDING B.V.,gevestigd te Amsterdam, EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep, hierna: HAB, advocaat: J.H.M. van Swaaij, tegen
- [verweerster 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
- [verweerster 2] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
- [verweerder 3],gevestigd te [woonplaats],
- [verweerder 4],gevestigd te [woonplaats], VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep, hierna gezamenlijk: [verweersters], advocaat: A.C. van Schaick.
- Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: het vonnis in de zaak C/13/598948 / HA ZA 15-1107 van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2016; de arresten in de zaak 200.199.167/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 september 2016, 19 december 2017, 19 of 20 maart 2019 (hierna: de rolbeslissing) en 7 januari
- HAB heeft tegen de arresten van het hof van 19 december 2017 en 7 januari 2020 en de rolbeslissing beroep in cassatie ingesteld. [verweersters] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep. De advocaat van HAB heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de middelen in het principale beroep De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten en de rolbeslissing van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten en rolbeslissing. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een van de klachten in het principale beroep slaagt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling. 3Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principale beroep; veroordeelt HAB in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweersters] begroot op € 6.971,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien HAB deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan. Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 8 oktober 2021.