HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/05403 Datum 2 maart 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 november 2019, nummer 20-003561-18, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W.J. Faber, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. 2.2.1 De kantonrechter heeft de verdachte bij vonnis van 30 oktober 2018 ter zake van – kort gezegd – rijden zonder rijbewijs veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van drie weken, waarvan twee weken voorwaardelijk. Verder heeft de kantonrechter de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van één week. Tegen dat vonnis is namens de verdachte op 7 november 2018 hoger beroep ingesteld. De daarvan opgemaakte akte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “Heden, 7 november 2018 verscheen ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant, Mr. M.J. van de Laar advocaat te Eindhoven, die, na verklaard te hebben door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het aanwenden van na te melden rechtsmiddel, verklaarde namens [verdachte], (...) beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 30 oktober 2018, alsmede tegen alle eventuele tussenbeslissingen in de zaak tegen [verdachte] met bovenvermeld parketnummer, gewezen door de Kantonrechter in deze rechtbank.” 2.2.2 Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen: “Het hoger beroep is ingesteld door een medewerker van de griffie van de rechtbank Oost-Brabant krachtens een schriftelijke machtiging van de raadsvrouw van de verdachte. Deze machtiging voldoet niet aan de in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. De verdachte is niet op de terechtzitting van 26 november 2019 verschenen, zodat dit gebrek niet voor gedekt kan worden gehouden. Om die redenen zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.” 2.3 Artikel 450 leden 1 en 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.