HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/04666 Datum 23 maart 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 oktober 2019, nummer 20/002774-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. 2Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel 2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in hoger beroep is overschreden. Het derde cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 2.2 Het eerste cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 tot en met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.