HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/01132 Datum 20 april 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019, nummer 22-002074-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van het hof dat is voldaan aan de eisen gesteld in Richtlijn 2012/13/EU en in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en dat zich daarom geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft voorgedaan in relatie tot het informeren van de verdachte over de redenen voor zijn aanhouding en het feit waarvan hij werd verdacht. De beslissing van het hof 2.2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Nederland, telkens aan ambtenaar [betrokkene 1] , als examinator werkzaam zijnde bij het CBR, (telkens) een gift heeft gedaan, namelijk een geldbedrag van 500 euro, in elk geval van enig geldbedrag, met het oogmerk om die [betrokkene 1] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van één of meerdere kandidaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaten niet voldoen aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft hij, verdachte, in zijn hoedanigheid van rijinstructeur en/of rijschoolhouder dat geldbedrag van 500 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) aan die [betrokkene 1] gegeven door – het geldbedrag in de tas van die [betrokkene 1] te stoppen, terwijl die tas op de achterbank van de auto stond waarin het rijexamen werd gehouden en/of – het geldbedrag voor die [betrokkene 1] in de auto waarin het rijexamen werd gehouden te leggen.” 2.2.2 Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen: “Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich - overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld dat er sprake is van een schending van artikel 6, derde lid, sub a en b, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu het recht op effectieve en praktische rechtsbijstand doelbewust is geschonden, althans de belangen van de verdachte grof zijn veronachtzaamd. Daartoe is aangevoerd dat aan de verdachte niet concreet genoeg is medegedeeld waarvan hij werd verdacht, dat hij daarover dus ook geen overleg met zijn raadsman kon plegen en dat hij daardoor niet zijn procespositie en zijn proceshouding tijdens het politieverhoor kon bepalen. Wegens dit vormverzuim dient op grond van artikel 359a Sv de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte te volgen, dan wel bewijsuitsluiting ten aanzien van de verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie, waarna vrijspraak moet volgen. Volgens de raadsman voldoet artikel 27c, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet aan de Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Europese Raad. In deze richtlijn is in artikel 6 opgenomen dat verdachten onverwijld informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht en dat deze informatie zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. Uit Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad blijkt voorts dat een verdachte op zodanige wijze toegang tot een advocaat dient te hebben dat hij de rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kan uitoefenen. Artikel 6 van Richtlijn 2012/13/EU is niet, althans gebrekkig geïmplementeerd in artikel 27c Sv, aldus de raadsman. (...) Het hof overweegt als volgt. Feiten en omstandigheden Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. In de ochtend van 8 oktober 2014 zijn twee opsporingsambtenaren met toestemming van de verdachte het huis van de verdachte binnengetreden. Hij is toen aangehouden als verdachte. Vervolgens werd aan hem door een opsporingsambtenaar medegedeeld waarvan hij werd verdacht. Volgens het proces-verbaal van aanhouding is de verdachte aangehouden wegens overtreding van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Aan de verdachte is de cautie gegeven en is medegedeeld dat hij recht heeft op consultatiebijstand door een advocaat voor de aanvang van het verhoor. De verdachte gaf daarop te kennen dat hij een toegewezen advocaat wilde consulteren. Op dezelfde dag werd de verdachte aan de hulpofficier van justitie voorgeleid, die het bevel gaf de verdachte op te houden voor onderzoek. Op 8 oktober 2014 om 13:15 uur werd de verdachte voor het eerst gehoord door twee verbalisanten. Daarvoor had hij overleg gehad met zijn advocaat. Bij de aanvang van het verhoor werd aan de verdachte nogmaals medegedeeld waarvan hij werd verdacht en werd aan hem de cautie gegeven. Het begin van het verhoor verliep als volgt: 'Weet je waarvoor je bent aangehouden?' 'Nee.' Noot verbalisanten: De verdachte wordt uitgelegd waarvan hij wordt verdacht. 'Heb je nu begrepen waarvoor je bent aangehouden?' 'Ja.' Daarna heeft de verdachte een uitgebreide, deels bekennende, verklaring afgelegd. Op 8 oktober 2014 om 14:00 uur werd de verdachte in het kader van zijn inverzekeringstelling gehoord, werd hem wederom de cautie gegeven en werd nog eens medegedeeld waarvan hij werd verdacht: overtreding van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (oplichting) c.q. artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrift). De verdachte verklaarde vervolgens: 'Ik heb vanmorgen al een gesprek gehad met een advocaat. [...] Ik begrijp dat er een onderzoek loopt met betrekking tot het Centraal Bureau Rijbewijzen en dat ik hierin verdachte ben. Ik begrijp dat ik nu in verzekering word gesteld'. Op 9 oktober 2014 vond het tweede verhoor door de politie plaats, werd de cautie aan de verdachte gegeven en werd aan de verdachte weer medegedeeld waarvan hij werd verdacht. Oordeel van het hof Naar het oordeel van het hof is de Richtlijn 2012/13/EU (hierna: de Richtlijn) voldoende geïmplementeerd in het Nederlandse strafrecht, in casu in het bijzonder in artikel 27c van het Wetboek van Strafrecht, in welk artikel onder meer wordt bepaald dat de verdachte bij zijn staandehouding of aanhouding wordt medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte wordt aangemerkt. Daarbij is het naar het oordeel van het hof van belang in ogenschouw te nemen dat de Richtlijn op de gehele procedure ziet en dat, naarmate de tijd verstrijkt, de uit de genoemde richtlijn en de wet voortvloeiende eisen ertoe dienen te leiden dat de verdachte steeds concreter en gedetailleerder op de hoogte moet worden gesteld van het verwijt dat hem wordt gemaakt. Het de verdachte onverwijld inlichten over de tegen hem bestaande verdenking kan - ook in het belang van het onderzoek - bij zijn aanhouding bestaan uit het (slechts) in korte bewoordingen aanduiden van de verdenking (bijvoorbeeld door verwijzing naar het wetsartikel waarin hetgeen waarvan de verdachte wordt verdacht is strafbaar gesteld), terwijl op latere momenten gedurende de strafprocedure de verdenking (steeds) vollediger zal moeten worden omschreven. Dat alles volgt overigens ook uit de door de raadsman aangehaalde richtlijn en de daaraan voorafgaande overwegingen (de zogeheten preambule). In artikel 6 van de genoemde richtlijn is immers – voor zover hier met name van belang – bepaald: De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde. In de preambule wordt voorts nog uitdrukkelijk overwogen dat de informatie aan verdachten of beklaagden over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, weliswaar onverwijld, doch ook zonder lopende onderzoeken te schaden, dient te worden verstrekt en dat deze informatie dient te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt. Gelet op het voorgaande en de hierboven genoemde feitelijke gang van zaken is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak artikel 27c van het Wetboek van Strafvordering nageleefd en daarmee wel degelijk ook voldaan aan de minimale eisen gesteld in de Richtlijn 2012/13/EU en in artikel 6 van het EVRM. De eisen die volgens de raadsman aan de te verstrekken informatie dienen te worden gesteld, uit welke eisen zou voortvloeien dat het bij de aanhouding van een verdachte, ter duiding van de verdenking enkel noemen van het artikelnummer onvoldoende is, vinden naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat – het gehele strafrechtelijk onderzoek overziende – de aanhouding, de inverzekeringstelling en het eerste verhoor gedurende de beginfase van het onderzoek plaatsvinden. Overigens kan uit de omstandigheid dat in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte in verband met de verdenking alleen een artikelnummer is vermeld niet worden afgeleid dat aan hem niet meer informatie is verstrekt omtrent de aard van de verdenking. (...) Het hof komt dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat er geen grond is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Ook is er geen reden voor bewijsuitsluiting ten aanzien van de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd.” Juridisch kader 2.3.1 Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PbEU 2012, L 142/1) luidt, voor zover van belang voor de beoordeling van het cassatiemiddel: - artikel 6 leden 1-3: “1. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. 2. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. 3. De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.” - artikel 8 lid 1: “De lidstaten zien erop toe dat wanneer informatie wordt verstrekt aan verdachten of beklaagden overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, dit wordt geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet.” - artikel 11 lid 1: “De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 2 juni 2014 aan deze richtlijn te voldoen.” 2.3.2 Overweging 28 van de preambule bij Richtlijn 2012/13/EU luidt: “De informatie aan verdachten of beklaagden over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, dient onverwijld, doch zonder lopende onderzoeken te schaden, te worden verstrekt, en uiterlijk vóór hun eerste officiële verhoor door de politie of een andere bevoegde autoriteit. Met het oog op een eerlijk verloop van de procedure en op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging dient de omschrijving van het strafbare feit waarvan de persoon wordt verdacht of beschuldigd, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie van het vermeende strafbare feit, te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.” Overweging 42 van deze preambule luidt: “De bepalingen van deze richtlijn die overeenkomen met door het EVRM gewaarborgde rechten, dienen te worden uitgelegd en ten uitvoer gelegd in overeenstemming met deze rechten, zoals die zijn ontwikkeld in de desbetreffende rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens.” 2.4.1 Artikel 6 lid 3, aanhef en onder a en b, EVRM luidt in de Nederlandse vertaling: “Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging”. 2.4.2 Het Europees hof voor de rechten van de mens heeft in zijn uitspraak van 25 juli 2000, nr. 23969/94 (Mattoccia tegen Italië) met betrekking tot de informatieverstrekking aan de verdachte in het licht van het recht op een eerlijk proces het volgende overwogen: “59. Paragraph 3 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.