HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/04718 P Datum 11 mei 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2019, nummer 20-000688-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, hierna: de betrokkene. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte in zijn berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel verondersteld voordeel heeft betrokken ten aanzien van feiten waarvoor de betrokkene niet is vervolgd. 2.2 De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het cassatieberoep van belang, in: “Verweren verdediging (...) De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, meer specifiek het verbod op “détournement de pouvoir”. Volgens de verdediging is er sprake van onzuiverheid van oogmerk doordat het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen om een strafbaar feit - het witwassen van € 180.000,- - wegens proces- dan wel bewijsrisico’s niet ten laste te leggen maar wel aan de ontnemingsprocedure ten grondslag te leggen. Bovendien druist dit ook in tegen de Geerings-jurisprudentie nu niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld of veroordeelde zich aan het witwassen van € 180.000,- schuldig heeft gemaakt. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Uit het samenstel van de leden 1 tot en met 3 van artikel 36e Wetboek van Strafrecht volgt dat een verplichting tot betaling van een ontnemingsbedrag ook kan worden opgelegd als het voordeel is verkregen uit feiten waarvoor niet is vervolgd of is veroordeeld. Dit is niet onverenigbaar met artikel 6 EVRM en de Geerings-jurisprudentie aangezien in de in artikel 511b e.v. Wetboek van Strafvordering geregelde procedure aan de veroordeelde de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat het - in geval van artikel 36e lid 3 Wetboek van Strafrecht - niet aannemelijk is dat de in artikel 36e lid 3 Sr bedoelde andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Gelet hierop is er geen sprake van schending van enig beginsel van een behoorlijke procesorde dan wel strijd met de Geerings-jurisprudentie noch van enige andere schending van het recht in (on)geschreven regel. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de ontnemingsvordering.” 2.3 Artikel 36e leden 1, 2 en 3 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.