HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/00340 B Datum 18 mei 2021 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 4 december 2018, nummer RK 18/2077, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum ] 1952, hierna: de klager. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft W.A.J.A. Welten, advocaat te Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank teneinde in zoverre op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de rechtbank haar oordeel dat de inbeslaggenomen auto aan de klager is gaan toebehoren met het doel de uitwinning van dat voertuig te bemoeilijken of te verhinderen ontoereikend heeft gemotiveerd. 2.2.1 Het namens de klager ingediende klaagschrift strekt tot teruggave aan de klager van de aan hem toebehorende personenauto die onder de zoon van de klager, [betrokkene 1] , in beslag is genomen. Dit klaagschrift houdt het volgende in: “Op 29 augustus 2018 heeft de politie Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Weert (productie 1) beslag gelegd op een personenauto van het merk BMW X5 M met kenteken [kenteken] , welke personenauto, merk BMW, type X5 M, kenteken [kenteken] , die op het moment van inbeslagname geparkeerd stond bij de heer [betrokkene 1] , zoon van klager. De politie is door zowel klager als zijn zoon uitgelegd dat de auto niet in eigendom toebehoorde aan de zoon en dat er geen grond is om de auto in beslag te nemen. Klager is immers eigenaar en geen verdachte. Tegen beter weten in werd de inbeslagname van de auto voortgezet. De auto is oorspronkelijk overigens wel eigendom geweest van de zoon [betrokkene 1] . Hij kocht hem op 31 juli 2017 (productie 2, 3a, 3b en 3c) voor € 19.000,00 en verkocht de auto aan klager op 3 november 2017 voor € 17.500.00 (productie 4) waarbij het kenteken op 2 november 2017 overgeschreven werd (vrijwaring, productie 5 en tenaamstelling klager productie 6). De auto had op dat moment voorschade (productie 7). De betaling van klager geschiedde contant. (...) Klager is dan ook van mening dat het strafvorderlijk belang niet vergt dat de personenauto in beslag blijft en hij wenst daarom weer in het genot van de auto te worden gesteld.” 2.2.2 Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in: “De klager verklaart: Mijn zoon heeft de personenauto gekocht met schade. Na 2 à 3 weken is hij naar mij toe gekomen omdat hij de reparatie niet kon betalen. Ik heb er onderdelen op gezet en e.e.a. laten spuiten. Voor vakanties heb ik een caravan en een personenauto, merk Mercedes. Die personenauto is te licht om in de bergen te rijden. Om die reden heb ik de in beslag genomen personenauto gekocht. Mijn dochter en kleindochter mogen er ook in rijden. Ik heb thuis contant geld liggen omdat ik niet kan lezen en schrijven. Ik heb mijn zoon netjes betaald. Ik ben de rechthebbende op de personenauto.” 2.2.3 De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen: “5.3 De inhoudelijke beoordeling 5.3.1 De vaststelling van de feiten Op 21 september 2018 heeft de rechter-commissaris machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van € 65.000,-. Uit het proces-verbaal dat aan de aanvraag voor die machtiging ten grondslag is gelegd blijkt dat [betrokkene 1] verdacht wordt van overtreding van artikel 3 onder B, C en D van de Opiumwet. (...) 5.3.3 De toetsing (...) De klager is niet degene aan wie de geldboete als bedoeld in artikel 94a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden opgelegd. Evenmin is hij degene aan wie het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden ontnomen. Nu de klager stelt eigenaar te zijn van het inbeslaggenomene, dient de rechtbank als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar hiervan moet worden aangemerkt. Nu de rechtbank de klager als eigenaar aanmerkt, dient zij te onderzoeken of er voldoende aanwijzingen bestaan dat het inbeslaggenomene geheel of ten dele aan de klager is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning hiervan te bemoeilijken of te verhinderen, en de klager dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden. Hierbij dient de rechtbank te onderzoeken of zich de situatie van artikel 94a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voordoet. De rechtbank overweegt dat hiervan sprake is, gelet op diverse feiten en omstandigheden, zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2018 met onderliggende bescheiden, in onderlinge samenhang bezien. Daaruit blijkt dat de verdachte in de strafzaak, [betrokkene 1] , voornoemde personenauto op 31 juli 2017 heeft gekocht van een autobedrijf en vervolgens van 17 augustus 2017 tot en met 2 november 2017 op naam heeft gehad, waarna hij de auto reeds op 3 november 2017 tegen contante betaling heeft doorverkocht aan zijn vader, zijnde de klager in dezen. Daar komt bij dat de auto op 28 augustus 2018 op het terrein van [betrokkene 1] is aangetroffen en dat is gebleken dat genoemde [betrokkene 1] eerder, op 15 mei 2018, is opgetreden als bestuurder van deze auto. Op grond daarvan acht de rechtbank aannemelijk dat de klager weliswaar in naam eigenaar van de auto is, maar dat met diens goedvinden de auto door [betrokkene 1] wordt gebruikt en dat laatstgenoemde aldus als feitelijk eigenaar kan worden aangemerkt. De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.” 2.3.1 Artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.