HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/02713 Datum 11 mei 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2019, nummer 21-002443-18, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het bepaalde in de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft geschonden doordat het in de bestreden uitspraak een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld. 2.2.1 Het hof heeft de verdachte wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. 2.2.2 Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel justitiële documentatie van de justitiële informatiedienst van 18 april 2019 met betrekking tot de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte na de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde misdrijven onherroepelijk is veroordeeld tot de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6 genoemde straffen, bestaande uit onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren. 2.3.1 Volgens de bestreden uitspraak heeft het hof de straf in de onderhavige zaak onder meer gegrond op de artikelen 14b, 57 en 63 Sr. Deze bepalingen luiden - voor zover van belang ‑ als volgt: - artikel 14b lid 1 Sr: “De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, stelt daarbij een proeftijd vast.” - artikel 57 Sr: “1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd. 2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.” - artikel 63 Sr: “Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.” 2.3.2 In zijn arrest van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavige
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.