HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/05483 Datum 29 juni 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2019, nummer 22-002527-18, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, in zoverre tot zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van artikel 440 Sv passend voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de oplegging door het hof van de maatregel van plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van een jaar, nu sprake is van een verandering in de regels van sanctierecht die in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt en die met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. De uitspraak van het hof 3.2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 januari tot en met 14 februari 2018 te Zoetermeer, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1], door die [slachtoffer 1] veelvuldig bedreigende en/of beledigende e-mail-berichten te sturen met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen en hij op 28 januari 2018 te Zoetermeer, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door aan [slachtoffer 2] voornoemd (in een e-mailbericht, in het Russisch) te schrijven: “wanneer kan ik jou dood maken, je gaat mij vragen om te stoppen, stoppen, maar ik ga stoppen als jij dood gaat, zo leerde jij mij”, of woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking.” 3.2.2 Het hof heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de bewezenverklaarde feiten niet aan hem kunnen worden toegerekend en aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis opgelegd op de grond van artikel 37 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor een termijn van een jaar. Wettelijk kader 3.3.1 Tot 1 januari 2020 luidde artikel 37 lid 1 Sr: “De rechter kan gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar, doch alleen indien hij gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen, of voor de algemene veiligheid van personen of goederen.” Artikel 37 Sr is per 1 januari 2020 bij de inwerkingtreding van de wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Stb. 2018, 37) vervallen. 3.3.2 Op 1 januari 2020 is artikel 2.3 van de wet van 24 januari 2018 tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg, Stb. 2018, 38) in werking getreden. Artikel 2.3 lid 1 van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz) luidt: “Indien de rechter van oordeel is, dat voldaan is aan de criteria voor het afgeven van een zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, kan hij, ambtshalve of na een verzoekschrift van de officier van justitie, met toepassing van die wet een zorgmachtiging ingevolge die wet afgeven als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onderdeel a, van die wet. Aan deze bevoegdheid kan in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bij afzonderlijke beslissing toepassing worden gegeven: 1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld; 2°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt bepaald dat geen straf wordt opgelegd; 3°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte wordt vrijgesproken; 4°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging; 5°. op vordering van het openbaar ministerie; 6°. indien de rechter maatregel van terbeschikkingstelling niet verlengt; 7°. indien de rechter de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege niet verlengt; 8°. indien de rechter de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet verlengt; 9°. indien de rechter de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet verlengt; 10°. bij rechterlijke beslissing op vordering van het openbaar ministerie tot omzetting van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in de maatregel van terbeschikkingstelling; 11°. indien de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.4 van de Wet forensische zorg, zijn geëxpireerd.” 3.3.3 Op 1 januari 2020 is eveneens de wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Stb. 2018, 37) in werking getreden. Artikel 6:5 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) luidde bij de inwerkingtreding van de Wvggz: “De rechter verleent een zorgmachtiging voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor: a. zes maanden, indien het doel van verplichte zorg de gronden, bedoeld in artikel 3:4, onderdelen b, c, d en e, betreft; b. twaalf maanden, indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in onderdeel a; c. twee jaar, indien het een aansluitende zorgmachtiging betreft voor een persoon aan wie gedurende ten minste de afgelopen vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg is verleend.” Bij wet van 7 oktober 2020, houdende wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten teneinde de uitvoerbaarheid op punten te vergroten en enkele technische onvolkomenheden en omissies te herstellen (Stb. 2020, 404), in werking getreden op 31 oktober 2020, is artikel 6:5 Wvggz gewijzigd. Artikel 6:5 Wvggz luidt sindsdien: “De rechter verleent een zorgmachtiging voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor: a. zes maanden, indien het doel van verplichte zorg de gronden, bedoeld in artikel 3:4, onderdelen b, c, d en e, betreft; b. twaalf maanden, indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in onderdeel a, of een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze wet, dan wel een plaatsing op grond van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat artikellid luidde voor inwerkingtreding van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; c. twee jaar, indien het een aansluitende zorgmachtiging betreft voor een persoon die gedurende de afgelopen vijf jaar: 1°. verplichte zorg heeft ontvangen; 2°. opgenomen is geweest, respectievelijk zorg heeft ontvangen op grond van een eerder afgegeven machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling of rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze wet; of 3°. is geplaatst op grond van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat artikellid luidde voor inwerkingtreding van deze wet.” Artikel 3:4 Wvggz luidt: “Verplichte zorg kan worden verleend om: a. een crisissituatie af te wenden, b. ernstig nadeel af te wenden, c. de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, d. de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, of e. het stabiliseren of herstellen van de fysieke gezondheid van betrokkene in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor.” Hoofdstuk 15 van de Wvggz bevat enkele overgangsbepalingen. Artikel 15:1 lid 1, aanhef en onder f, Wvggz luidt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.