HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/05419 Datum 22 juni 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 november 2019, nummer 23/000568-18, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van het derde cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat “aan de relevante eisen is voldaan” wat betreft (adequate) rechtsbijstand aan de verdachte voorafgaand en tijdens haar verhoor in Spanje als “verdachte in een Nederlandse strafzaak”. 2.2 Het hof heeft een namens de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen: “De raadsman heeft - zakelijk samengevat - bepleit dat de door de verdachte in Spanje afgelegde verklaringen uitgesloten moeten worden van het bewijs, omdat het de verdachte voorafgaand en tijdens het verhoor aan adequate rechtsbijstand heeft ontbroken. Zij is weliswaar bijgestaan door een Spaanse advocaat, maar nu het een Nederlandse strafzaak betreft had zij door een Nederlandse (strafrecht)advocaat moeten worden bijgestaan. Bovendien is tijdens een pauze in het verhoor ongeoorloofde druk op haar uitgeoefend om te verklaren. Spaanse politiefunctionarissen hebben immers tijdens een bezoek van de verdachte aan het toilet haar geadviseerd om te verklaren over een medeverdachte, zulks om niet verder in de problemen te komen. In dit verband (en, naar het hof begrijpt, voor het geval het verweer niet wordt gehonoreerd) is verzocht de Spaanse advocaat, alsmede de Spaanse en Nederlandse functionarissen die bij het verhoor aanwezig waren, als getuige te horen, alsmede prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie. De verdachte is, ingevolge een Nederlands rechtshulpverzoek, op 15 mei 2016 in Barcelona als verdachte gehoord. Volgens het proces-verbaal van het verhoor, dat zich bij de stukken bevindt (map IA, Rechtshulpverzoeken, bijlage 3) is de verdachte gewezen op haar zwijgrecht en op het recht om zich te laten bijstaan door een advocaat. De verdachte heeft van dit laatste recht gebruik gemaakt en is tijdens het verhoor door een advocaat bijgestaan. Daarmee is aan de relevante eisen voldaan. Indien de advocaat meende niet in staat te zijn adequate rechtsbijstand te verlenen had het op zijn weg gelegen ter zake actie te ondernemen. Indien de verdachte meende dat zij geen adequate rechtsbijstand ontving had zij dit aan de orde kunnen stellen en om een andere advocaat kunnen vragen. De algemene stelling dat in een Nederlandse strafzaak slechts een Nederlandse advocaat effectieve rechtsbijstand kan verlenen is onjuist. Het horen als getuige van de Spaanse advocaat, de Spaanse politiefunctionarissen en de Nederlandse functionarissen is dan ook niet noodzakelijk. Dat geldt ook voor het stellen van prejudiciële vragen. Ook overigens is niet gebleken dat de verdachte in enig processueel belang is geschaad in verband met voornoemd verhoor. De stelling van de verdediging dat de verdachte onder druk zou zijn gezet door de Spaanse verbalisanten is niet onderbouwd. Het verhoor is bovendien ondertekend door de verdachte en haar Spaanse advocaat. Indien de door de raadsman verzochte getuigen de gestelde toedracht zouden bevestigen, volgt daaruit niet dat op de verdachte onrechtmatige druk is uitgeoefend, op een wijze die consequenties zou hebben voor het gebruik van haar verklaring. Het verhoor van die getuigen is dus ook in dit opzicht niet noodzakelijk.” 2.3 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang. - Artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) luidt in de Nederlandse vertaling: “3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (...) c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen; (...)” - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest): “Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.” - Artikel 3 van Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU 2013, L 294/1) (hierna: Richtlijn 2013/48/EU): “Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure 1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen. 2. De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdachten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.