HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/00214 P Datum 27 september 2022 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2019, nummer 21-002946-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: de betrokkene. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting en – zo nodig – tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het vierde cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden, nu in de gelijktijdig door het hof afgedane strafzaak compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn plaatsvindt. 2.2.1 Het hof heeft ten aanzien van de redelijke termijn het volgende overwogen: “Het hof constateert - evenals de verdediging en de advocaat-generaal - dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het geding in eerste aanleg, nu er niet binnen twee jaar na het kenbaar maken van de ontnemingsvordering in eerste aanleg een einduitspraak is gedaan. Ook in de fase van het hoger beroep is de redelijke termijn geschonden. De periode tussen het instellen van het rechtsmiddel op 31 mei 2017 door veroordeelde en de einduitspraak op 18 december 2019 beslaat ruim 2 jaren en 6 maanden. Het hof zal echter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, nu de strafzaak en de ontnemingszaak tegelijkertijd door het hof worden afgedaan en er al in de strafzaak compensatie voor het overschrijden van de redelijke termijn plaatsvindt. Hiermee wordt de inbreuk op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voldoende gecompenseerd.” 2.2.2 De uitspraak van het hof in de met deze ontnemingszaak samenhangende en gelijktijdig behandelde strafzaak houdt met betrekking tot de redelijke termijn in: “10.5 Redelijke termijn Het hof is van oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn in eerste aanleg. Hoewel het opsporingsonderzoek geruime tijd in beslag heeft genomen is het hof niet gebleken dat er onvoldoende voortvarend is geacteerd. Voor zover de termijn de periode van twee jaar heeft overstegen, levert dat gelet op de complexiteit van de zaak, de vele opsporingshandelingen die zijn verricht en de samenhang met de zaken van de medeverdachten geen schending op van de redelijke termijn, omdat er geen sprake is van onnodige vertraging. Verdachte heeft op 31 mei 2017 hoger beroep ingesteld. Op 14 maart 2018 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Bij tussenarrest van 28 maart 2018 is bepaald dat door de raadsheer-commissaris nog een viertal getuigen moesten worden gehoord, de verdachte nader diende te worden gehoord door de FIOD en nog enkele jaarrekeningen aan het dossier moesten worden toegevoegd. Op 27 november 2019 heeft de inhoudelijke behandeling bij het hof plaatsgevonden. Het hof doet uitspraak op 18 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.