HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/01910 Datum 30 september 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 maart 2021, nr. 20/00494, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 19/1730) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1.1 Belanghebbende oefent zelfstandig een beroep uit. Hij heeft de Rechtbank verzocht om bij gegrondverklaring van het beroep de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van kosten die hij in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt. Daartoe heeft hij bij de Rechtbank een “Formulier proceskosten” ingediend waarin hij opgave heeft gedaan van onder meer verletkosten, in totaal € 328, in verband met het bijwonen van de zitting bij de Rechtbank. Het daarmee gemoeide tijdsbeslag heeft belanghebbende gesteld op vier uren. 2.1.2 De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van verletkosten die belanghebbende heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting voor een bedrag van € 82 (1 uur x € 82). Omdat belanghebbende woonachtig is in de plaats waar het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, zijn er naar het oordeel van de Rechtbank geen reiskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. 2.2 Het hoger beroep van belanghebbende was onder meer gericht tegen de door de Rechtbank toegekende vergoeding voor proceskosten. In het hogerberoepschrift heeft hij gesteld voor die dag vier uur minder te hebben kunnen declareren. In het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting bij het Hof is het volgende vermeld over de bij de Rechtbank verzochte verletkosten: “Belanghebbende verklaart een vergoeding te wensen voor de vier uur waarin hij geen omzet heeft kunnen genereren. Dat lijkt veel omdat de zitting in zijn woonplaats plaatsvond maar hij moest die dag naar Utrecht. Door de zitting kon hij daar pas vier uur later naartoe.” 2.3 Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Met betrekking tot de grief over de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van verletkosten heeft het Hof overwogen dat verletkosten kosten zijn van tijdverzuim voor, voor zover van belang, het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis. Gelet hierop heeft de Rechtbank volgens het Hof de vergoeding van de verletkosten terecht vastgesteld op €
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.