HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/02399 Datum 14 oktober 2022 ARREST in de zaak van de fiscale eenheid [X] C.S. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 juni 2020, nrs. 18/00251 tot en met 18/00253, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 16/4653, HAA 16/5061 en HAA 16/5062) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008, over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. 1Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F. van der Weiden, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. 2Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 30 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.