HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/00838 U Datum 8 november 2022 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2022, nummer [001], op verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de opgeëiste persoon. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben R. van Leusden en D.J.M. Dammers, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de stukken niet voldoen aan de eisen die artikel 9 lid 2, aanhef en onder b en e, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag) en artikel 18 van de Uitleveringswet stellen. 2.2.1 De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard met het oog op strafvervolging wegens de volgende feiten: “samenzwering met anderen om de Racketeering Influenced and Corrupt Organizations (RICO) zoals genoemd in titel 18 van de United States Code (hierna: U.S.C.), par. 1962 te schenden, via een patroon van misdadige praktijken bestaande uit:a. meerdere overtredingen ten aanzien van de handel in gereguleerde stoffen met schending van 21 U.S.C. par. 841, 846, 952, 953, 959, 960, en 963; b. meerdere handelingen die strafbaar zijn onder titel 18, par. 1512 U.S.C. (obstructie van de rechtsgang); c. meerdere overtredingen waarbij witwassen van de opbrengsten van de handel in gereguleerde stoffen was betrokken, met schending van titel 18 U.S.C. par. 1956.” 2.2.2 Bij het verzoek tot uitlevering is overgelegd een Affidavit van de Assistant United States Attorney S.R. Prewitt van het Southern District of California, waarin de feiten waarvoor uitlevering is verzocht en waarvoor uitlevering door de rechtbank toelaatbaar is verklaard, als volgt worden omschreven: “I. OVERVIEW OF THE INVESTIGATION
(4)(...), [opgeëiste persoon] , (...) conducted or participated, directly or indirectly, in the conduct of the affairs of Anom through a pattern of racketeering activity. To conduct or participate means that the defendant had to be involved in the operation or management of Anom. 15. An “enterprise” includes a group of people who have associated together for a common purpose of engaging in a course of conduct over a period of time. The group need not be a legal entity. It must have an ongoing organization, either formal or informal, but no particular structure is required. Its personnel may change over time. The enterprise must have some minimal effect upon interstate or foreign commerce, that is, a demonstrated connection or link with commerce between states in the United States or between the United States and another country. It is not necessary to prove that the enterprise or the defendant knew or intended that the conduct would affect commerce. The minimal effect on commerce can be shown by, for instance, the enterprise’s use of interstate or foreign communication devices (such as cellular telephones, or the internet), possession and use of firearms which have traveled across state or international lines, and travel by members across state or international lines. The enterprise alleged here is Anom, which is an association-in-fact enterprise. 16. A “pattern of racketeering activity” is two or more “racketeering acts” that have a relationship to each other (such as having the same or similar purposes, results, participants, victims, or methods of commission) and that constitute or pose a threat of continued criminal activity. “Racketeering acts” include, among other crimes, narcotics trafficking, money laundering, witness retaliation, witness tampering, and obstruction of justice. A pattern of racketeering activity can consist of the same types of racketeering acts. Thus, the crime of racketeering conspiracy is agreeing to conduct, or to participate in the conduct of the affairs of an enterprise - here Anom - through a contemplated pattern of racketeering activity. No racketeering act need be committed or even attempted. The unlawful agreement in itself is sufficient. 17. The statutes cited in the indictment and applicable to the defendants in this case are attached hereto at Exhibit A. A violation of these statutes is a felony under United States law. (...) IV. SUMMARY OF THE FACTS 21. Anom messages intercepted by law enforcement have resulted (to date) in more than 800 arrests and seizures of more than eight tons of cocaine, 22 tons of marijuana, two tons of methamphetamine/amphetamine, six tons of precursor chemicals, 250 firearms, and more than $48 million in various worldwide currencies. Dozens of public corruption cases have been initiated and more than 50 clandestine drug labs have been dismantled, including one of the largest clandestine labs in German history. As top distributors of Anom, (...), [opgeëiste persoon] , (...) not only facilitated the criminal activities of others, but also used Anom to coordinate their own illicit activities, including drug trafficking, money laundering, and/or obstruction of justice. (...) [opgeëiste persoon] Identified as a Distributor of Anom and His Racketeering Activities 27. [opgeëiste persoon] is a citizen of the Netherlands, born on [geboortedatum] , 1983, in the [geboorteplaats] . (...) During the investigation, [opgeëiste persoon] was identified as an international distributor of Anom devices based in the Netherlands, who was committed to Anom’s goal of servicing the special communications needs of its criminal clientele. To that end, in or about January 2021, in a series of conversations in a group chat, administrators and distributors of Anom, including [opgeëiste persoon] , discussed tips for bringing in new clients. During the conversation, [opgeëiste persoon] suggested to the group certain language for reaching out to potential Anom customers. Specifically, [opgeëiste persoon] suggested the following proposed message: “If you are reading this, you are among the first people to see and experience Anom’s secure communications platform. Built by criminals for criminals.” [opgeëiste persoon] also was committed to Anom’s goal of operating “underground.” During the communications, another Anom distributor based in Australia, [betrokkene 1] , reminded the group that Anom is to stay underground: (...) 28. [opgeëiste persoon] was identified through messages on the Anom platform and open source database searches. For example, in or about January 6, 2021, the JID [Jabber Identification] believed to be used by [opgeëiste persoon] discussed phone distribution with another Anom user. In response to a request to send phones to addresses in Switzerland and Venezuela, the JID believed to be used by [opgeëiste persoon] sent a photograph of a shipping label addressed to an individual in Venezuela with a return address belonging to “ [opgeëiste persoon] ” in the Netherlands. Similarly, in or about April 19,2021, the JID believed to be used by [opgeëiste persoon] discussed phone distribution with another Anom user, who sent a photo of a shipping label addressed to “ [opgeëiste persoon] ” at the same Netherlands address. (...) 30. A review of messages sent and received by [opgeëiste persoon] on the Anom platform reflects that he conspired with others in Anom to violate RICO by conducting or participating, directly or indirectly, in the conduct of the affairs of Anom through a pattern of racketeering acts, including, obstruction of justice, trafficking in controlled substances, and money laundering. With respect to obstruction of justice, for example, in or about December 4, 2020, another Anom user told [opgeëiste persoon] , “The cops took him.... Wipe this asap (...).” The user later asked about the wipe status, and [opgeëiste persoon] responded, “Yes. All gooed.” 31. [opgeëiste persoon] also used the Anom platform for drug trafficking and money laundering activities. For example, in or about January 4, 2021, [opgeëiste persoon] told [betrokkene 1] (...) that he would bring [betrokkene 1] kilos from Belgium. Separately, in or about February 12, 2021, [opgeëiste persoon] and [betrokkene 2] , an Anom distributor residing in Spain, discussed laundering money through [betrokkene 2] United States company account. [betrokkene 2] boasted, “ [A] 0% tax and no bookkeeping,” and [opgeëiste persoon] responded, “Okay very good. But I would have to have it clean.” [betrokkene 2] reassured [opgeëiste persoon] that, “It works good as long as you don’t sell anything to us and have to pay tax there. Yes this is pure moneylaundring (...).” Separately, in or about January 7, 2021, [opgeëiste persoon] and [betrokkene 1] also discussed money laundering activities. [betrokkene 1] stated, “I want a legitate [legitimate] bank account. The full shag bang, preferablly in a country with no extradrition.” [opgeëiste persoon] replied, “Im on it.”.” 2.3.1 Volgens het proces-verbaal van de zitting heeft de raadsman van de opgeëiste persoon daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt in: “GENOEGZAAMHEID STUKKEN - RECHTSMACHT 21. De feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, moeten - vanzelfsprekend - onder de rechtsmacht van de verzoekende staat vallen. 22. In beginsel komt aan de uitleveringsrechter geen oordeel toe ‘aangaande de rechtsmacht van de verzoekende Staat met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht’. Alleen in een uitzonderlijk geval, lijdt dat uitgangspunt uitzondering. Alleen dan mag de uitleveringsrechter zich dus een oordeel over de rechtsmacht van de verzoekende staat aanmatigen. De verdediging meent dat hiervan sprake is, dan wel dat hiertoe meer informatie dient te worden opgevraagd bij de Amerikaanse autoriteiten nu met deze informatie niet wordt voldaan aan de vereisten uit het Uitleveringsverdrag tussen partijen. 23. Op grond van artikel 9, tweede lid, van het Uitleveringsverdrag tussen NL en de VS moeten bij het uitleveringsverzoek worden overgelegd: (
- a)alle beschikbare gegevens betreffende de identiteit, de nationaliteit, en de vermoedelijke verblijfplaats van de opgeëiste persoon; (
- b)een uiteenzetting van de desbetreffende feiten, met inbegrip, indien mogelijk, van het tijdstip waarop en de plaats waar het misdrijf werd gepleegd; (
- c)de wetsbepalingen houdende de wezenlijke elementen en de benaming van het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt verzocht; (
- d)de wetsbepalingen houdende de straf die op het delict is gesteld; (
- e)de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd. 24. Artikel 18 Uitleveringswet bevat vergelijkbare voorschriften. 25. De verdediging constateert dat niet is voldaan aan sub b. van dit artikel nu niet staat aangegeven waar de gestelde misdrijven zich zouden hebben afgespeeld. Ook ten aanzien van het tijdstip of de pleegperiode is de informatie ieder geval vaag te noemen. 26. Voorts wordt het feitelijk handelen van cliënt onvoldoende ingevuld om specifiek een strafbaar feit onder te laten vallen. Het witwassen en de betrokkenheid van de verkoop van verdovende middelen is volkomen vaag en onvoldoende ingevuld met handelingen van cliënt. 27. De verdediging constateert dat ook niet is voldaan aan sub e. Uit de stukken wordt überhaupt niet duidelijk waar de Verenigde Staten haar rechtsmacht op meent te kunnen baseren. Er wordt namelijk met geen woord gerept over de plaats waar een en ander heeft plaatsgevonden. Er zijn zelfs sterke aanwijzingen dat de verdenkingen zich juist niet op Amerikaans grondgebied hebben afgespeeld. 28. Er wordt blijkens de verstrekte informatie contact gezocht met diverse andere internationale ‘Anom partijen’ maar niet blijkt dat dit op Amerikaans grondgebied zou hebben plaatsgevonden. Uit de informatie blijkt ook niet van directe betrokkenheid en/of samenwerking van andere Amerikaanse burgers. Zo is er gecommuniceerd met een Australiër ( [betrokkene 1] ), er wordt meermaals gesproken over het sturen van telefoons naar Zwitserland en Venezuela met een retoursticker naar het Nederlandse adres van cliënt, het gaat over drugs die van België naar [betrokkene 1] zouden worden gezonden (de Australiër) en er wordt gesproken over een legitieme bankrekening in een land zonder uitlevering. Dat zijn de Verenigde Staten evident niet. Op welke wijze de verweten gedragingen van cliënt effect/gevolg hebben gehad in de Verenigde Staten is ook niet duidelijk. Het verzoek is dan ook om hiertoe nadere informatie op te vragen bij de Amerikaanse autoriteiten en de specifieke wetsbepalingen op te vragen zoals ook is vereist op grond van artikel 9 van het Uitleveringsverdrag.” 2.3.2 De rechtbank heeft dit verweer verworpen en daarbij het volgende overwogen: “Genoegzaamheid van de stukken en rechtsmacht Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet voldaan is aan het vereiste van artikel 9 lid 2 sub b en e van het Verdrag. Uit de overgelegde stukken volgt namelijk niet waar de gestelde misdrijven zich hebben afgespeeld. Het is daarom onduidelijk op grond waarvan de Verenigde Staten haar rechtsmacht op baseren. De rechtbank overweegt hierover dat het in beginsel niet aan haar is om een oordeel te geven over de rechtsmacht van een verzoekende staat. Uit de overlegde stukken kan voldoende worden opgemaakt op grond waarvan de Verenigde Staten rechtsmacht hebben. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten tot twijfel hierover en ziet ook geen aanleiding hierover nadere informatie te laten verstrekken. De stukken voldoen aan de eisen van artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag en aan artikel 18 van de Uitleveringswet.” 2.4 De volgende bepalingen zijn van belang. - Artikel 9 lid 2 Verdrag: “Bij het verzoek tot uitlevering dienen te worden gevoegd: (...) b. een uiteenzetting van de desbetreffende feiten, met inbegrip, indien mogelijk, van het tijdstip waarop en de plaats waar het misdrijf werd gepleegd; (...) e. de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd.” - Artikel 18 Uitleveringswet: “Het verzoek moet vergezeld gaan van: (...) b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan; (...)” 2.5.1 In de overwegingen van de rechtbank dat de overgelegde stukken de “overige noodzakelijke gegevens” bevatten met betrekking tot de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, ligt mede als oordeel besloten dat in deze stukken de plaats waar deze feiten zijn begaan, genoegzaam is omschreven. Dat oordeel is – gelet op de aard van de strafbare feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, en in aanmerking genomen wat de onder 2.2.2 weergegeven Affidavit inhoudt over de locaties die verband houden met de strafbare feiten waarbij de opgeëiste persoon vermoedelijk betrokken is als internationaal distributeur van Anom-communicatiemiddelen – niet onbegrijpelijk. Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, faalt het. 2.5.2 Ook voor zover het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat de stukken niet voldoen aan de eis die artikel 9 lid 2, aanhef en onder e, Verdrag stelt, is het tevergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft – kennelijk en niet onbegrijpelijk – vastgesteld dat de strafbare feiten waarvoor de rechtbank de uitlevering heeft toegestaan, mede zijn begaan op het grondgebied van de verzoekende staat. Dit betekent dat zich niet het geval voordoet dat wordt bedoeld in artikel 9 lid 2, aanhef en onder e, Verdrag, zodat de overlegging van de in die bepaling bedoelde wetsbepalingen niet is vereist. (Vgl. HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8722.) 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2022.