HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/02513 Datum 9 december 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 mei 2022, nr. 21/00256, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. 20/344) betreffende een verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Beoordeling van de klachten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1 Bij brief van 3 december 2018 heeft belanghebbende verzocht om de reeds gedane aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 te wijzigen. Op 9 januari 2019 is aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 opgelegd. Bij brief van 31 januari 2019 heeft belanghebbende de Inspecteur nogmaals verzocht om haar aangifte te wijzigen. De Inspecteur heeft deze brief aangemerkt als bezwaarschrift. 2.1.2 Belanghebbende heeft op 13 juni 2019 in een e-mail aan de Inspecteur het volgende geschreven: "Kunt u mij laten weten of u de aanslag kan corrigeren en wanneer ik deze kan verwachten? Ik begrijp dat u niet verantwoordelijk bent voor de trage besluitvorming, maar het is inmiddels meer dan zes maanden geleden dat de brief verstuurd is … Ik hoop spoedig een reactie te ontvangen.” Deze e-mail heeft als onderwerp “Re: wijziging aangifte 2016”. 2.1.3 Bij brief van 20 augustus 2019 heeft belanghebbende verzocht om een dwangsom in de zin van artikel 4:17 Awb wegens het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar. 2.1.4 Voor het Hof was in geschil of de e-mail van 13 juni 2019 kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016 geoordeeld dat de e-mail van belanghebbende niet voldoet aan het vereiste dat het geschrift voldoende duidelijk maakt op welke aanvraag het betrekking heeft. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de e-mail van belanghebbende veeleer het karakter van een vraagstelling heeft, en dat met de daarin uitgesproken hoop spoedig een reactie te ontvangen niet voldaan is aan het vereiste dat op het alsnog nemen van een beslissing wordt aangedrongen. 2.2 Belanghebbende keert zich in cassatie tegen de hiervoor in 2.1.4 weergegeven oordelen van het Hof. Belanghebbende betoogt daartoe dat de e-mail van 13 juni 2019 was gestuurd in reactie op een eerdere e-mail waarin de Inspecteur vragen stelde omtrent het door haar ingediende verzoek van 3 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.