HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/01289 Datum 15 februari 2022 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2020, nummer 23-000011-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Weening, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, en in zoverre tot zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van art. 440 Sv passend voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel richt zich tegen de onttrekking aan het verkeer van twee zwarte tassen en klaagt daarbij over het oordeel van het hof dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en/of de wet. 3.2.1 Ten laste van de verdachte is onder 6 bewezenverklaard dat: “hij op 17 juni 2014 te Hoensbroek, gemeente Heerlen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.427 gram hennep.” 3.2.2 Het hof heeft dit bewezenverklaarde - kort gezegd - gekwalificeerd als het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, en de verdachte voor dit feit en andere Opiumwetfeiten onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, met onttrekking aan het verkeer van twee inbeslaggenomen zwarte tassen. 3.2.3 Het hof heeft ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer van de twee zwarte tassen het volgende overwogen: “De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven zwarte tassen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte onder 6 begane feit aangetroffen. Deze behoren aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en/of de wet. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen (...) 36b, 36c, 36d (...) van het Wetboek van Strafrecht.” 3.3 Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk het oordeel van het hof dat de aan het verkeer onttrokken verklaarde zwarte tassen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en/of de wet. 3.4 Het cassatiemiddel slaagt. 4Beoordeling van het derde cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 4.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden. 5Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de twee inbeslaggenomen zwarte tassen en de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze veertien maanden en twee weken beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2022.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.