HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/04138 Datum 25 februari 2022 ARREST in de zaak van de fiscale eenheid [X] B.V. C.S. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 augustus 2019, nr. 18/00551, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/1701) betreffende een aan belanghebbende over het tijdvak 1 april 2015 tot en met 30 juni 2015 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door P.F. Zijlstra, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 september 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1.1 Belanghebbende is een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Een tot de fiscale eenheid behorende besloten vennootschap (hierna: de BV) is op 17 september 2012 eigenaar geworden van een onroerende zaak. Ter zake van de overdracht van deze onroerende zaak aan de BV is artikel 37d van de Wet toegepast, zodat de BV voor de heffing van omzetbelasting in de plaats is getreden van de vorige eigenaar. De vorige eigenaar had aansluitend aan de oplevering van de onroerende zaak een voor de heffing van omzetbelasting als zelfstandig investeringsgoed aan te merken deel daarvan (hierna: het pand) vanaf 1 januari 2012 met toepassing van artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet belast verhuurd aan een derde en had de ter zake van de bouw van de onroerende zaak in rekening gebrachte omzetbelasting in zoverre in aftrek gebracht. 2.1.2 De BV heeft de verhuur van het pand voortgezet tot en met 30 september 2013. Zij heeft vervolgens het pand leegstaand verkocht en op 26 juni 2015 geleverd aan een andere ondernemer (hierna: de koper). Bij die levering hebben de BV en de koper ervoor gekozen de in artikel 11, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet voorziene mogelijkheid toe te passen om een onroerende zaak die de verkrijger ervan geheel of nagenoeg geheel gebruikt voor doeleinden waarvoor recht op aftrek bestaat, belast met omzetbelasting te leveren. 2.1.3 De koper heeft het pand op 23 september 2015 vrijgesteld van omzetbelasting geleverd aan een derde. Hij heeft met inachtneming van artikel 6, lid 6, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Uitvoeringsbeschikking) de BV en de Inspecteur ervan op de hoogte gesteld dat hij voor het pand niet heeft voldaan aan de in artikel 11, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet bedoelde voorwaarde om de onroerende zaak gedurende de in artikel 6, lid 4, van de Uitvoeringsbeschikking bedoelde termijn te gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting bestaat. 2.1.4 De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de hiervoor in 2.1.1 bedoelde omzetbelasting die ter zake van de bouw van het pand in aftrek was gebracht, van belanghebbende kan naheffen met toepassing van artikel 20, lid 1, eerste volzin, AWR. Hij heeft omzetbelasting nageheven over het tijdvak waarin belanghebbende het pand heeft geleverd aan de koper. 2.2.1 Het Hof heeft geoordeeld dat met artikel 20, lid 1, eerste volzin, AWR aan de Inspecteur formeel de bevoegdheid is gegeven om in een situatie als die waarin belanghebbende zich bevindt, omzetbelasting na te heffen. De ondernemer die ervan op de hoogte wordt gesteld dat hij een onroerende zaak ten onrechte met toepassing van artikel 11, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet heeft geleverd, kan volgens het Hof op grond van artikel 10a AWR en hoofdstuk IV van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) immers na ontvangst van de in artikel 6, lid 6, van de Uitvoeringsbeschikking bedoelde mededeling “een suppletieaangifte” indienen bij de inspecteur, waarna de inspecteur op de voet van artikel 20, lid 1, eerste volzin, AWR een naheffingsaanslag oplegt. Deze bepalingen vormen volgens het Hof geen inbreuk op het karakter van de omzetbelasting als aangiftebelasting en hebben niet tot gevolg dat het in Nederland voorziene systeem van heffing in strijd is met BTW-richtlijn 2006. Artikel 250 van BTW-richtlijn 2006 bevat volgens het Hof niet meer dan een opdracht aan de lidstaten om te voorzien in een aangifteplicht voor ondernemers. Nederland heeft zich van deze opdracht gekweten, aldus het Hof. 2.2.2 Naar het oordeel van het Hof is de wijze waarop in de Nederlandse wetgeving de herziening in een geval als dit is vormgegeven, namelijk door de wegens herziening verschuldigde omzetbelasting verschuldigd te doen zijn op het moment dat de vrijgestelde levering met toepassing van artikel 11, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet plaatsvindt, in lijn met artikel 184 van BTW-richtlijn 2006 in samenhang gelezen met artikel 188, leden 1 en 2, van die richtlijn. Belanghebbende heeft in dit verband voor het Hof gesteld dat in de Nederlandse wetgeving een materiële grondslag voor verschuldigdheid ontbreekt in gevallen als het onderhavige waarin na het verstrijken van het aangiftetijdvak waarin de levering met toepassing van artikel 11, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet heeft plaatsgevonden, niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een belaste levering. Volgens haar moet de ondernemer de wegens herziening verschuldigde omzetbelasting namelijk voldoen bij de aangifte over het tijdvak waarin het belaste karakter van de levering vervalt als gevolg van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor belaste levering en heeft de wetgever niet voorzien in de mogelijkheid om die belasting op aangifte te voldoen. Die stelling heeft het Hof verworpen. 3Beoordeling van de middelen 3.1 Middel I betoogt dat het Hof artikel 14 en artikel 15, lid 6, van de Wet en artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking onjuist uitlegt door te oordelen dat belanghebbende omzetbelasting is verschuldigd over het aangiftetijdvak waarin het pand met toepassing van artikel 11, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet belast werd geleverd, terwijl in dat tijdvak aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldige belaste levering, en dus voor het behoud van recht op aftrek, werd voldaan. Herzieningsomzetbelasting wordt volgens artikel 13a, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking verschuldigd bij de aangifte over het tijdvak waarin die levering plaatsvindt, aldus het middel. Artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking noch enige andere wettelijke bepaling voorziet echter, aldus het middel, in een valide rechtsgrond voor voldoening van herzieningsomzetbelasting op een later tijdstip, zoals het tijdstip waarop bekend wordt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor belaste levering. 3.2.1 Bij de beoordeling van middel I stelt de Hoge Raad het volgende voorop. 3.2.2 Op grond van artikel 14, lid 1, van de Wet moet in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte worden voldaan. In samenhang gelezen met de artikelen 2 en 17 van de Wet, moet ervan worden uitgegaan dat de in artikel 14 van de Wet bedoelde belasting de belasting betreft die de ondernemer verschuldigd is ter zake van door hem verrichte leveringen en diensten. De in artikel 2 van de Wet bedoelde belasting die de ondernemer op die verschuldigde belasting in aftrek brengt, vormt dus niet “verschuldigde belasting” als bedoeld in artikel 14, lid 1, van de Wet. 3.2.3 Artikel 2 van de Wet vermeldt in algemene bewoordingen dat aftrek van voorbelasting wordt gegeven. Deze aftrek wordt in de artikelen 15 tot en met 17 van de Wet nader uitgewerkt. Tot deze uitwerking behoort ook de op artikel 15, lid 6, van de Wet gebaseerde regeling van de artikelen 13 en 13a van de Uitvoeringsbeschikking waarbij regels zijn gegeven voor een termijn waarbinnen in ‘jaarmoten’ herziening van de aftrek van voorbelasting met betrekking tot onder meer onroerende zaken moet plaatsvinden (hierna: de herzieningstermijn). Bij wijziging binnen de herzieningstermijn van (geheel of gedeeltelijk) gebruik voor belaste doeleinden van een onroerende zaak naar (geheel of gedeeltelijk) gebruik voor doeleinden waarvoor geen recht op aftrek bestaat, leidt toepassing van artikel 13 en/of artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking tot de vaststelling dat een deel van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting ten onrechte in aftrek is gebracht op verschuldigde omzetbelasting dan wel dat die aftrek ten onrechte, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek, tot een teruggaaf van omzetbelasting heeft geleid. In de artikelen 13 en 13a van de Uitvoeringsbeschikking is bepaald dat en bij welke aangifte deze herziening plaatsvindt. Deze herziening resulteert erin dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.