HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/03113 Br Datum 19 april 2022 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2021, nummer RK 21/857, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster] , hierna: de klaagster. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank de klaagster ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar beklag tegen de inbeslagname op grond van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB). Het voert daartoe aan dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de klaagster bij de doorzoeking op 1 oktober 2020 op de hoogte is gesteld van de in artikel 5.4.10 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde termijn van veertien dagen, niet begrijpelijk is. 2.2.1 Onder de klaagster zijn ter uitvoering van een EOB voorwerpen, waaronder sieraden, inbeslaggenomen. De rechtbank heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen deze inbeslagname. De beschikking van de rechtbank houdt hierover het volgende in: “Feiten Op 1 oktober 2020 is te Utrecht onder de klaagster op grond van artikel 94 lid 1 Sv beslag gelegd op een aantal goederen, waaronder een aantal sieraden. Klaagster stelt eigenaar te zijn van deze sieraden. De inbeslagname komt voort uit een Europees Onderzoeksbevel (EOB), afkomstig van de Spaanse autoriteiten. Dit beslag is gelegd in het kader van de onder opgemeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de mede-beslagene [betrokkene 1] . Hij wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen. Standpunt klaagster Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klaagster van de sieraden. Daartoe is allereerst aangevoerd dat klaagster ontvankelijk is in haar beklag, omdat volgens de verdediging onvoldoende is aangetoond dat de kennisgeving beklagrecht in het kader van een EOB aan klaagster is uitgereikt. (...) Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beklag. Daartoe is gesteld dat betrokkenen direct na afronding van de doorzoeking op 1 oktober 2020 door de verbalisanten in kennis zijn gesteld van de bevoegdheid om binnen 14 dagen na die kennisgeving een klaagschrift in te dienen bij de rechtbank. Er is voor de eerste maal geklaagd op 21 oktober 2020, wat betekent dat de termijn met een week is overschreden. Gelet op het feit dat dit klaagschrift niet binnen de termijn van 14 dagen is ingediend, dient klaagster niet-ontvankelijk te worden verklaard. (...) Ontvankelijkheid Ingevolge artikel 5.4.10 lid 1 Sv wordt de betrokkene bij wie in het kader van een uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen in kennis gesteld van zijn of haar bevoegdheid om binnen 14 dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv in te dienen bij de rechtbank. Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat aan klaagster een schriftelijke kennisgeving beklagrecht is overhandigd en dat deze in haar woning in een envelop op tafel is gelegd. Bovendien is klaagster door de rechter-commissaris en de hulpofficier van justitie mondeling in kennis gesteld van de mogelijkheid om een beklagprocedure te starten overeenkomstig artikel 552a Sv. De wet beschrijft, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet op welke manier die kennisgeving dient plaats te vinden. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan al hetgeen in het proces-verbaal van bevindingen met nummer LERAG20009-221 is opgeschreven. Klaagster moet dan ook op de hoogte zijn geweest van de mogelijkheid een beklagprocedure ex artikel 552a Sv in te stellen. Niet is aannemelijk geworden dat zij vanaf het moment van de kennisgeving in haar woning niet in de gelegenheid was om dit tijdig te doen. Dit betekent dat, gelet op de wettelijke vereisten van artikel 5.4.10 Sv, de bezwaartermijn op 1 oktober 2020 is gaan lopen en dat het bezwaar niet binnen de termijn van twee weken is ingediend. Klaagster dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beklag.” 2.2.2 Het proces-verbaal van bevindingen waarnaar de rechtbank in haar beschikking verwijst en dat zich bij de stukken bevindt, houdt het volgende in: “Naar aanleiding van het Europees Onderzoeksbevel (EOB) [001] werd op donderdag 1 oktober 2020, omstreeks 22:00 uur, voor een doorzoeking ter in beslagname binnengetreden in de woning aan de [a-straat 1] , [postcode] te Utrecht. Ik, verbalisant R734, trad bij deze doorzoeking op als pand coördinator. Voorafgaand aan de doorzoeking werd mij, blijkens proces-verbaal van relaas met documentcode LERAG20008-215, een kennisgeving beklagrecht ex. artikel 552A Wetboek van Strafvordering verstrekt. Bij de briefing voorafgaand aan de doorzoeking werd door de onderzoekscoördinator verzocht om voornoemd document in de woning achter te laten, na afloop van de doorzoeking. Door mij is dit document in een enveloppe overgedragen aan de dienstdoende Hulp officier van Justitie. Tijdens het bekijken van de in beslag genomen goederen in de woning, samen met de Rechter Commissaris, ontstond er een discussie. Ik hoorde dat de bewoonster van het pand het niet eens was met de goederen die in beslag genomen waren. Ik hoorde dat haar door de hulpofficier en de rechtercommissaris uitgelegd werd wat de beklagprocedure was en hoe zij kon handelen. Ik zag dat de enveloppe met daarin vermoedelijk nog steeds de kennisgeving beklagrecht ex. 552A Wetboek van Strafvordering, door de hulpofficier van justitie is achtergelaten in de woning.” 2.2.3 Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift houdt onder meer het volgende in: “De klaagster verklaart: Ik heb de brief niet ontvangen waarin staat dat ik het klaagschrift binnen 14 dagen moet indienen; deze kreeg ik pas later in de bus. Ik heb enkel de kennisgeving gehad van de inbeslagname, niet over de procedure van beklag tegen de inbeslagname.” 2.3.1 Artikel 14 leden 1, 3 en 4 van Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Pb EU 2014, L 130/1; hierna: Richtlijn 2014/41/EU) luidt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.