ECLI:NL:HR:2022:685
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummers 21/05230 en 21/05231 Datum 13 mei 2022 PREJUDICIËLE BESLISSING In de zaak van 1. [verzoeker 1], 2. [verzoekster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERZOEKERS in eerste aanleg, hierna: de wensouders, en in de zaak van [verzoeker 3], [verzoeker 4], beiden ten tijde van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank wonende te [woonplaats], thans wonende te Israël, VERZOEKERS in eerste aanleg, hierna: de wensouders.
1De prejudiciële procedure Zaak 21/05230 Bij tussenbeschikking in de zaak C/09/582084/ FA RK 19-7655 van 17 december 2021 heeft de rechtbank Den Haag op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
De Advocaat-Generaal P. Vlas heeft de Hoge Raad geadviseerd om op de voet van art. 393 lid 8 Rv af te zien van beantwoording van de prejudiciële vragen.
Zaak 21/05231 Bij tussenbeschikking in de zaak C/09/594387/ FA RK 20-3769 van 17 december 2021 heeft de rechtbank Den Haag op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
De Advocaat-Generaal P. Vlas heeft de Hoge Raad geadviseerd om op de voet van art. 393 lid 8 Rv af te zien van beantwoording van de prejudiciële vragen.
2Uitgangspunten en feiten 2.1 Deze zaken gaan over de afstammingsrechtelijke gevolgen in Nederland ten aanzien van een kind dat in het buitenland via draagmoederschap is verwekt, waarna in het buitenland een geboorteakte is opgemaakt dan wel een rechterlijke beslissing is gegeven waarbij afstammingsrechtelijke relaties zijn vastgesteld tussen het kind en de wensouders.
2.2.1 De Hoge Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.2.2 In zaak 21/05230 zijn de wensouders Nederlandse echtgenoten. Zij hebben ervoor gekozen om hun kinderwens in Georgië te realiseren via zogeheten hoogtechnologisch draagmoederschap; daarbij wordt een eicel in een laboratorium bevrucht en het embryo in de baarmoeder van de draagmoeder geplaatst. Van de geboorte van het daaruit voortgekomen kind (hierna: het kind) is in Georgië een geboorteakte opgemaakt. De wensouders zijn daarin als ouders vermeld. Zij wonen nu met het kind in Nederland. Zij willen ook in Nederland als ouders met ouderlijk gezag over het kind kunnen functioneren, maar missen op dit moment die hoedanigheid.
2.2.3 In zaak 21/05231 zijn de wensouders twee Israëlische mannen. Zij hebben ervoor gekozen om hun kinderwens in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) te realiseren via hoogtechnologisch draagmoederschap. Van de geboorte van het daaruit voortgekomen kind (hierna: het kind) is in de VS een geboorteakte opgemaakt. De wensouders zijn daarin als ouders vermeld. Tevens zijn latere uitspraken van een Amerikaanse rechter en van een Israëlische rechter in het geding gebracht waaruit volgens de wensouders volgt dat zij in de VS en in Israël al ouders van het kind zijn. De wensouders willen ook in Nederland worden aangemerkt als ouders met ouderlijk gezag over het kind, maar missen op dit moment die hoedanigheid.
2.3.1 In zaak 21/05230 verzoeken de wensouders dat de rechtbank:
2.3.2 In zaak 21/05231 verzoeken de wensouders de rechtbank voor recht te verklaren dat zij beiden juridisch ouder zijn van het kind en het ouderlijk gezag over het kind dragen.
2.4 De rechtbank heeft in de verwijzingsbeschikkingen in beide zaken onder meer als volgt overwogen.
In toenemende mate wordt een toevlucht genomen tot draagmoederschap in het geval een kinderwens niet op natuurlijke wijze (of via al langer bestaande IVF/ICSI-trajecten) kan worden verwezenlijkt. In diverse landen wordt draagmoederschap aangeboden, met meer of met minder waarborgen. Daarvoor bestaan in verschillende landen uiteenlopende wettelijke regelingen. In Nederland is draagmoederschap onder omstandigheden mogelijk. Ook wordt in Nederland hoogtechnologisch draagmoederschap aangeboden. Sinds kort kunnen homoparen hiervan gebruikmaken. Er zijn in Nederland (nog) geen wettelijke regelingen die (de rechtsgevolgen van) het draagmoederschap regelen. (rov. 5.2 respectievelijk rov. 5.3) De Staatscommissie Herijking Ouderschap heeft op 7 december 2016 een adviesrapport ‘Kind en ouders in de 21ste eeuw’ uitgebracht over aanpassing van de huidige regels over ouderschap. De Staatscommissie IPR heeft in februari 2019 een advies uitgebracht over de internationaalprivaatrechtelijke aspecten van dit advies. Internationale regelingen over hoogtechnologisch draagmoederschap ontbreken vooralsnog. (rov. 5.4 respectievelijk rov. 5.5) Het kabinet heeft in zijn brief van 12 juli 2019 het voornemen geuit een regeling te treffen voor draagmoederschap en daarin enkele waarborgen geformuleerd om het traject zorgvuldig en transparant te laten verlopen en zoveel mogelijk rechtszekerheid te bieden aan de draagmoeder, de wensouders en het kind. Daarbij is de aanbeveling en het voornemen dat, indien aan deze waarborgen wordt voldaan, de wensouders direct op de geboorteakte van de minderjarige worden vermeld. Aangekondigd is tevens dat een regeling zal worden getroffen voor de erkenning van ouderschap na buitenlands draagmoederschap, waarin duidelijk zal worden gemaakt wanneer een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap in ieder geval niet eenvoudig zal worden geaccepteerd in Nederland. Op dit moment zijn er geen nadere ontwikkelingen aan de zijde van de wetgever. (rov. 5.5 respectievelijk rov. 5.6) Inmiddels heeft de Commissie-Joustra het kabinet erop gewezen dat kritisch moet worden gekeken naar de risico’s op misstanden bij commercieel draagmoederschap. (rov. 5.6 respectievelijk rov. 5.7) Boek 1 BW bevat geen bepalingen die specifiek de rechtsgevolgen van draagmoederschap regelen. (rov. 5.8 respectievelijk rov. 5.9) Naar Nederlands recht zijn, indien een draagmoederschapstraject is gevolgd, de wensouders bij de geboorte van de baby niet automatisch de juridisch ouders van het kind. Zij worden dan ook niet aanstonds op de geboorteakte geplaatst. In Nederland is immers degene die het kind baart (dus de draagmoeder) de juridisch moeder. Zij wordt in de geboorteakte opgenomen. Haar eventuele echtgenoot is juridisch vader. Hij zal in dat geval als vader op de geboorteakte worden vermeld. De draagmoeder is na de geboorte ook belast met het gezag over het kind. De wensouders moeten dus verschillende stappen doorlopen om juridisch ouder met gezag te worden van het kind. (rov. 5.9 respectievelijk rov. 5.10)
Boek 10 afdelingen 1-4 BW bevat bepalingen betreffende het conflictenrecht dat betrekking heeft op het ontstaan van familierechtelijke betrekkingen (art. 10:92-10:99 BW) en afdeling 4 bevat bepalingen betreffende de erkenning van buitenlands tot stand gekomen rechterlijke beslissingen en rechtsfeiten (art. 10:100 en 10:101 BW). Bij de opstelling van Boek 10 BW is geen rekening gehouden met draagmoederschapsconstructies. (rov. 5.10 respectievelijk rov. 5.11) Antwoord op de te stellen prejudiciële vragen is nodig om in de zaken te kunnen beslissen. Bovendien is de beantwoording van deze vragen rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van andere, soortgelijke zaken. Het komt met enige regelmaat voor dat Nederlanders in het buitenland deelnemen aan trajecten van draagmoederschap, met meer of minder waarborgen, waarna zij hun leven met het kind in gezinsverband in Nederland willen voortzetten. In het algemeen is er dan in het buitenland een geboorteakte opgemaakt en/of is er een rechterlijke beslissing genomen waarbij afstammingsrechtelijke relaties zijn vastgesteld tussen het kind en de wensouders. Wensouders wenden zich vervolgens tot de rechter om die relatie in Nederland erkend te krijgen dan wel te doen vestigen. (rov. 5.44 respectievelijk rov. 5.50) De rechtbank heeft binnen de huidige regelgeving behoefte aan meer duidelijkheid over het door haar in te zetten toetsingskader. Een duidelijk wettelijk kader in Boek 1 BW ontbreekt immers. De in Boek 10 BW neergelegde conflictregels sluiten niet voldoende op het draagmoederschap aan. Onduidelijk is verder of de in Boek 10 BW vastgelegde erkenningsregeling onverkort kan worden toegepast en, als dat het geval is, in hoeverre de openbare orde-toets kan/moet worden ingezet om erkenning aan in het buitenland gevormde afstammingsrelaties te onthouden. Ook is niet helder of een buitenlandse geboorteakte waarin niet de geboortemoeder is opgenomen, nimmer voor opname in de registers vatbaar is. (rov. 5.45 respectievelijk rov. 5.51) Voor wensouders en ambtenaren van de burgerlijke stand is evenzeer gewenst te weten of en zo ja in welke gevallen mogelijk aanstonds tot inschrijving van een (overigens correcte) buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap kan worden overgaan. (rov. 5.46 respectievelijk rov. 5.52) 2.5.1 In zaak 21/05230 heeft de rechtbank de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:
2.5.2 In zaak 21/05231 heeft de rechtbank de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:
3.2.1 Zoals de rechtbank in beide verwijzingsbeschikkingen heeft overwogen, bestaan in Nederland nog geen wettelijke regelingen die zien op de rechtsgevolgen van draagmoederschap.
3.2.2 In het rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap van december 2016, getiteld ‘Kind en ouders in de 21ste eeuw’, is onder meer voorgesteld een wettelijke regeling in te richten voor draagmoederschap, die waarborgen biedt voor de positie van zowel het kind als de draagmoeder en de wensouders (aanbevelingen 48-49). Ook wordt in het rapport aandacht besteed aan internationaal draagmoederschap. Volgens de Staatscommissie moet in de wet duidelijk worden vastgelegd onder welke voorwaarden de erkenning van het in het buitenland ontstane juridische ouderschap na draagmoederschap in Nederland mogelijk is (aanbevelingen 59-60).
3.2.3 De Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht (hierna: Staatscommissie IPR) heeft in februari 2019 op verzoek van de minister voor Rechtsbescherming advies uitgebracht over de internationaalprivaatrechtelijke aspecten van de aanbevelingen en voorstellen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. Volgens de Staatscommissie IPR kan in geval van een buitenlandse rechterlijke beslissing omtrent de afstammingsrechtelijke gevolgen van het in het buitenland tot stand gekomen draagmoederschap, dan wel een buitenlandse akte waarin de afstammingsrechtelijke gevolgen daarvan zijn opgenomen, aansluiting worden gezocht bij art. 10:100 BW respectievelijk art. 10:101 BW. Beide wetsbepalingen voorzien in de mogelijkheid om erkenning te weigeren op grond van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde. De Staatscommissie IPR heeft daarbij de voorkeur gegeven aan een open geformuleerde openbare orde-exceptie. Ook heeft de Staatscommissie IPR geadviseerd een afzonderlijke conflictregel voor draagmoederschap te formuleren.
3.2.4 In april 2020 is het conceptwetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming in internetconsultatie gegeven. In dit conceptwetsvoorstel is gekozen voor een afzonderlijke bepaling (art. 10:101a BW) over de erkenning van draagmoederschap, in aanvulling op het algemene regime van de art. 10:100 en 10:101 BW. Hoofdregel van de voorgestelde regeling is dat de erkenning van een afstammingsrelatie uit draagmoederschap verloopt via een beoordeling door de Nederlandse rechter (art. 10:101a leden 1 en 2 BW). In het voorgestelde art. 10:101a lid 3 BW zijn uitzonderingen geformuleerd op de hoofdregel van een rechterlijke beoordeling. Blijkens de toelichting laat art. 10:101a lid 3 BW onverlet dat toepassing wordt gegeven aan de openbare orde-exceptie van art. 10:100 lid 1, onder c, BW. Ook voorziet het wetsvoorstel in een afzonderlijke conflictregel voor draagmoederschap (art. 10:98a BW).
3.2.5 De Staatscommissie IPR heeft in juli 2020 advies uitgebracht over het hiervoor in 3.2.4 genoemde conceptwetsvoorstel en kanttekeningen geplaatst bij de punten waarop in het conceptwetsvoorstel is afgeweken van de aanbevelingen van de Staatscommissie IPR in haar hiervoor in 3.2.3 genoemde advies van februari 2019.
3.2.6 Blijkens het Coalitieakkoord 2021-2025 van het kabinet Rutte IV van december 2021 zal de behandeling van voorstellen voor een goede regeling voor draagmoederschap worden gecontinueerd en zal daarbij ook het rapport van de commissie onderzoek interlandelijke adoptie in het verleden (commissie Joustra) worden betrokken.
3.2.7 Bij brief van 22 maart 2022 heeft de minister voor Rechtsbescherming aan de voorzitter van de Tweede Kamer laten weten dat op dit moment het advies van de Raad van State naar aanleiding van het hiervoor in 3.2.4 genoemde conceptwetsvoorstel wordt verwerkt in een wetsvoorstel, en dat indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt voorzien na de zomer van 2022.
3.3.1 De prejudiciële vragen die door de rechtbank in beide zaken zijn gesteld, kunnen als volgt worden gerubriceerd: (i) Vragen over conflictenrecht. Welk recht is van toepassing op bepaalde aspecten van internationaal draagmoederschap? (zaak 21/05230, vragen 1 en 3-5; zaak 21/05231, vragen 1 en 8) (ii) Vragen over erkenning. Langs welke weg en onder welke voorwaarden kan in Nederland rechtsgevolg worden toegekend aan een buitenlandse rechterlijke beslissing of een buitenlandse akte waarbij afstammingsrechtelijke relaties zijn vastgesteld tussen het kind en de wensouders? (zaak 21/05230, vragen 6-12; zaak 21/05231, vragen 2, 4-7 en 9-13) (iii) Vragen over procesrecht. Dienen de buitenlandse draagmoeder en haar echtgenoot in een procedure in Nederland te worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van art. 798 Rv en te worden opgeroepen? (zaak 21/05230, vraag 2; zaak 21/05231, vraag 3) (iv) Vragen over de burgerlijke stand. Hoe moet de ambtenaar van de burgerlijke stand te werk gaan bij een verzoek tot inschrijving van een buitenlandse geboorteakte in de registers van de burgerlijke stand? (zaak 21/05230, vragen 9, 10 en 13) 3.3.2 De hiervoor in 3.3.1 genoemde vragen over conflictenrecht en over erkenning kunnen op uiteenlopende wijzen worden beantwoord. Het conceptwetsvoorstel Kind, draagmoeder en afstamming (zie hiervoor in 3.2.4) wijkt op diverse punten af van het advies van de Staatscommissie IPR van februari 2019 (zie hiervoor in 3.2.3), bij welke afwijkingen de Staatscommissie IPR in haar advies van juli 2020 kanttekeningen heeft geplaatst (zie hiervoor in 3.2.5). Binnen afzienbare termijn zal een wetsvoorstel worden ingediend bij de Tweede Kamer (zie hiervoor in 3.2.7). Bij die stand van zaken lenen de prejudiciële vragen over conflictenrecht en erkenning zich niet voor beantwoording. Die beantwoording gaat op dit moment de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten.
Voor de hiervoor in 3.3.1 genoemde vragen over de burgerlijke stand geldt dat het antwoord daarop afhangt van het antwoord op de vragen over erkenning. Daarin ziet de Hoge Raad aanleiding eerstbedoelde vragen nu evenmin te beantwoorden.
De hiervoor in 3.3.1 genoemde vragen over procesrecht komen niet aan de orde in het conceptwetsvoorstel Kind, draagmoeder en afstamming. De processuele positie van de buitenlandse draagmoeder en haar echtgenoot hangt echter zo nauw samen met hun materieelrechtelijke rechten en verplichtingen – waarop het conceptwetsvoorstel wel ziet – dat de Hoge Raad op dit moment ook afziet van beantwoording van de daarop betrekking hebbende vragen.
3.4 Zolang een wettelijke regeling ontbreekt, is het aan de rechter om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen, met inbegrip van de mogelijkheid om de beslissing op het verzoek aan te houden.
Het staat de rechter vrij om bij de beantwoording van vragen over de erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing of een buitenlandse akte waarbij afstammingsrechtelijke relaties zijn vastgesteld tussen het kind en de wensouders, overeenkomstige toepassing te geven aan de art. 10:100 en 10:101 BW.
4Beslissing De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vragen.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 13 mei 2022.
Rechtbank Den Haag 17 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13950.
Rechtbank Den Haag 17 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13949.
Staatscommissie Herijking Ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw (7 december 2016). Zie voor de tekst van het rapport, de website www.rijksoverheid.nl.
Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies van 20 februari 2019. Zie voor de tekst van het advies, de website www.tweedekamer.nl.
Zie voor de tekst van het conceptwetsvoorstel en de toelichting, de website www.internetconsultatie.nl.
Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies van 1 juli 2020.
Zie voor de tekst van het coalitieakkoord, de website www.parlement.com.
Kamerstukken II 2021/22, 33836, nr. 66, p. 10.