ECLI:NL:HR:2022:861
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 22/01093 Datum 10 juni 2022 PREJUDICIËLE BESLISSING In de zaak van ARVATO FINANCE.NL, handelend onder de naam AFTERPAY,gevestigd te Heerenveen, EISERES in eerste aanleg, hierna: Arvato, niet verschenen in de prejudiciële procedure, tegen [gedaagde],wonende te [woonplaats], GEDAAGDE in eerste aanleg, hierna: [gedaagde], niet verschenen in de prejudiciële procedure.
1De prejudiciële procedure Bij tussenvonnis in de zaak 8716635/CV EXPL 20-5415 van 29 maart 2022 heeft de kantonrechter te Leeuwarden op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink heeft de Hoge Raad geadviseerd om op de voet van art. 393 lid 8 Rv af te zien van beantwoording van de prejudiciële vragen.
2Uitgangspunten en feiten 2.1 Deze zaak gaat over de online koop, door een consument, van een douchepaneel met mengkraan. In de procedure is de vraag gerezen of de rechter bij een dergelijke, op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten, overeenkomst ambtshalve moet onderzoeken of is voldaan aan de wettelijke informatieplichten van de handelaar tegenover de consument, en of de rechter ambtshalve een sanctie moet verbinden aan het niet voldaan zijn aan een of meer van die plichten, en zo ja, welke. De kantonrechter heeft hierover bij tussenvonnis van 24 november 2020 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Deze zijn beantwoord bij prejudiciële beslissing van 12 november 2021 (hierna: de prejudiciële beslissing).
2.2 De rechtbanken hebben op 15 december 2021 naar aanleiding van de prejudiciële beslissing de ‘Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten’ vastgesteld (hierna: de richtlijn). Daarin zijn twee categorieën van sancties vermeld (hierna: het Sanctiemodel): “1. Eén tot en met drie voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieplichten worden gesanctioneerd met een vermindering van 25% van de hoofdsom.
Aan het slot van de richtlijn is vermeld: “Dit is een landelijke richtlijn. Het is geen richtlijn die de rechters bindt, afwijkingen naar boven of beneden zullen worden gemotiveerd. Relevante jurisprudentie wordt gepubliceerd.”
2.3 In de hiervoor in 2.1 vermelde procedure heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 1 maart 2022 het voornemen uitgesproken om de in dat vonnis vermelde aanvullende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Bij tussenvonnis van 29 maart 2022 heeft de kantonrechter die vragen aan de Hoge Raad voorgelegd. Zij luiden: “1. Moet (gedeeltelijke) vernietiging van een (koop)overeenkomst wegens niet-naleving van de essentiële informatieplichten van 6:230m lid 1 BW op de wijze zoals in artikel 6:230v BW is voorgeschreven voortaan, net als bij andere oneerlijke handelspraktijken, plaatsvinden met toepassing van artikel 6:193j lid 3 BW? Indien het antwoord deze vraag bevestigend is, betekent dat dan:
3.2 Het antwoord op vraag 1 ligt besloten in de prejudiciële beslissing. Hetzelfde geldt voor vraag 2 voor zover daarin wordt gevraagd of alleen sprake is van een voldoende ernstige schending van essentiële informatieplichten die ambtshalve moet worden gesanctioneerd met een prijsvermindering, als voldoende aannemelijk is dat een gemiddelde consument daardoor vermogensschade lijdt. Het ontkennende antwoord op deze vragen volgt uit rov. 3.1.15 van de prejudiciële beslissing. De Hoge Raad ziet in de overwegingen die de kantonrechter in het tussenvonnis van 1 maart 2022 aan deze vragen ten grondslag heeft gelegd, geen aanleiding voor aanvullende overwegingen of een andere beslissing.
3.3 De vraag (in vraag 2) wanneer sprake is van een voldoende ernstige schending van essentiële informatieplichten die ambtshalve moet worden gesanctioneerd met een prijsvermindering, leent zich voor het overige niet voor beantwoording in algemene zin. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt om die vraag per zaak of categorie van zaken te beantwoorden aan de hand van de omstandigheden die daarin aan de orde zijn.
3.4 Uit hetgeen hiervoor in 3.2-3.3 is overwogen volgt dat de veronderstelling waarmee vraag 3 wordt ingeleid, onjuist is. Voor zover ook los daarvan is beoogd te vernemen of het Sanctiemodel kan worden toegepast, is het antwoord daarop te vinden in rov. 3.1.19 van de prejudiciële beslissing: een richtlijn als neergelegd in het Sanctiemodel kan bijdragen aan de praktische hanteerbaarheid van de hier aan de orde zijnde regels, aan een gelijke behandeling van gelijke gevallen en aan de rechtszekerheid. De rechter kan daarvan echter afwijken indien hij de aangewezen sanctie in de gegeven omstandigheden niet doeltreffend, evenredig en afschrikkend acht. Ook de richtlijn zelf gaat daarvan uit (zie hiervoor in 2.2, slot). De rechter die over de feiten oordeelt is bij uitstek in staat die beoordeling te verrichten en daarvan in de motivering van zijn uitspraak te doen blijken.
3.5 Uit de prejudiciële beslissing volgt dat ook de veronderstelling waarop vraag 4 berust, onjuist is (zie hetgeen hiervoor ten aanzien van de vragen 2 en 3 is overwogen).
3.6 Tot slot leent vraag 5 zich niet voor beantwoording op de grond genoemd in de uitlating van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 18.
4Beslissing De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vragen.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 10 juni 2022.
HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/richtlijn-sanctiemodel-essentiele-informatieplichten v15122021.pdf Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:551.