← Nederland

ECLI:NL:HR:2024:1296

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/03916 Datum 27 september 2024 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen het BESTUUR VAN TRIBUUT BELASTINGCENTRUM op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2022, nrs. BK-ARN 21/00075 en BK-ARN 21/00604, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 20/33 en AWB 20/3186) betreffende aan belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 opgelegde aanslagen in de forensenbelasting. 1Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door H.A.J. Kalsbeek, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het bestuur van Tribuut belastingcentrum, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen in de forensenbelasting opgelegd. De aanslag voor het jaar 2018 bedraagt € 1.349,12, zijnde 0,544 procent van de WOZ-waarde van de woning. De aanslag voor het jaar 2019 bedraagt € 1.382,10, zijnde 0,542 procent van de WOZ-waarde van de woning. 2.2 Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende verworpen dat de hoogte van de forensenbelasting volgens de Verordening forensenbelasting 2018 en de Verordening forensenbelasting 2019 van de gemeente Epe afhankelijk is van de WOZ-waarde van de woning en dus van het vermogen en dat dit in strijd is met artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet. 3Beoordeling van de middelen 3.1 Het negende middel, dat zich keert tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof, faalt op de gronden die zijn vermeld in het op 13 september 2024 uitgesproken arrest van de Hoge Raad met nummer 23/00801, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.3. 3.2 De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024. ECLI:NL:GHARL:2022:7634.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.