HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/02785 B Datum 1 oktober 2024 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2023, nummer RK 22/028618, op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 1 december 2022 betreffende de toewijzing van de vordering als bedoeld in artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, hierna: de betrokkene. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De raadsman van de betrokkene, W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken. De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van het openbaar ministerie 2.1 Het procesverloop in deze zaak is als volgt. De officier van justitie heeft op 28 november 2022 een machtiging van de rechter-commissaris gevorderd voor een bevel tot verwijdering van personen en/of voorwerpen uit een woning, besloten lokaal of erf, als bedoeld in artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De rechter-commissaris heeft deze vordering op 1 december 2022 toegewezen en de machtiging verleend. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris is door de betrokkene hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 20 juni 2023 op dit hoger beroep beslist, waarbij de rechtbank onder meer heeft overwogen dat de rechter-commissaris de hiervoor genoemde machtiging ten onrechte heeft afgegeven. Het dictum van de beschikking van de rechtbank houdt in dat het beroep gegrond wordt verklaard. Het openbaar ministerie heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. 2.2 Artikel 446 leden 1 en 2 Sv luidt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.