← Nederland

ECLI:NL:HR:2024:1544

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01386 Datum 25 oktober 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2024, nr. BK-ARN 22/931, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 21/2283) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.A. Vos, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. 2Beoordeling van de klachten 2.1 Tegen de uitspraak van het Hof wordt onder meer de klacht aangevoerd dat beginselen van een goede procesorde zijn geschonden omdat het Hof geen afschrift van het door de Inspecteur ingediende verweerschrift aan belanghebbende heeft gezonden, zodat belanghebbende niet heeft kunnen reageren op het standpunt dat de Inspecteur daarin heeft ingenomen. 2.2 Deze klacht slaagt. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat het Hof een kopie van het verweerschrift aan belanghebbende heeft gezonden. 2.3 De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek van de zaak in volle omvang. De overige klachten behoeven geen behandeling. 3Proceskosten De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het Hof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende een vergoeding moet worden toegekend voor de kosten van het geding voor het Hof, het geding voor de Rechtbank, en in verband met de behandeling van het bezwaar. 4Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, - verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met in achtneming van dit arrest, - draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2024. ECLI:NL:GHARL:2024:1516. Vgl. HR 15 oktober 1952, ECLI:NL:HR:1952:51, en HR 8 juli 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9936.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.