HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/03203 Datum 12 november 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 augustus 2022, nummer 20-000452-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het beginsel van de formele rechtskracht heeft miskend door ten onrechte te oordelen dat de strafrechter – bij de beoordeling van de bewijsvraag ter zake van overtreding van artikel 9 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) – gehouden is zelfstandig onderzoek te doen naar de rechtsgeldigheid van het besluit waarbij het rijbewijs van de verdachte is geschorst. 2.2 De achtergrond van deze zaak wordt in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal, onder 2.1 en 2.2, als volgt beschreven: “De in cassatie relevante stukken houden in dat de verdachte op 16 januari 2019 in Duitsland als bestuurder van een auto werd onderworpen aan een drugsonderzoek en dat in zijn bloed sporen werden aangetroffen van het gebruik van THC, MDMA en MDA. (...) De Duitse autoriteiten hebben het rijden onder invloed vervolgens gemeld aan de Nederlandse autoriteiten. Het CBR heeft op grond van deze informatie besloten tot een onderzoek of de verdachte beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van een motorrijtuig (art. 131 lid 1 onder b WVW 1994). Tegelijkertijd is bij besluit van 12 februari 2020 de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte geschorst (art. 131 lid 2 onder a WVW 1994). Tegen dit besluit heeft de verdachte geen rechtsmiddel aangewend. De verdachte wordt (...) vervolgd omdat hij ondanks de schorsing van zijn rijbewijs in een auto zou hebben gereden.” 2.3.1 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: “hij, op of omstreeks 3 juni 2020 te Venlo, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Hogeweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.” 2.3.2 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in: “Cliënt wordt vervolgd omdat hij op 3 juni 2020 heeft gereden terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Niet betwist wordt dat cliënt wist dat het CBR bij besluit d.d. 12 februari 2020 de geldigheid van zijn rijbewijs had geschorst. Wel wordt betwist dat de grondslag van dit besluit rechtmatig is. Indien uw gerechtshof - met mij - tot de conclusie zou komen dat de grondslag van het in de tenlastelegging opgenomen besluit onrechtmatig is, dan dient tevens tot de conclusie te worden gekomen dat mijn cliënt dient te worden vrijgesproken van het verwijt dat hij ondanks wetenschap van het besluit tot schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs toch is gaan rijden. Ik licht dit bewijsverweer uiteraard toe en trek daarbij een parallel met de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de strafbaarstelling van artikel 197 Sr (de terugkeer van ongewenst verklaarde vreemdelingen). (Voetnoot: ECLI:NL:HR:2010:BL2854, ECLI:NL:HR:2016:616.) Toetsing door de strafrechter van bestuursrechtelijke besluiten Wie als derdelander in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a lid 7 van de Wv 2000 (de Hoge Raad begrijpt hier en hierna telkens: Vreemdelingenwet 2000) (een zwaar inreisverbod) is uitgevaardigd, maakt zich schuldig aan overtreding van artikel 197 Sr. Met het oog op het bestanddeel ‘tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a lid 7 van de Wv 2000’ dient de strafrechter volgens de Hoge Raad te onderzoeken of de grondslag van het inreisverbod rechtmatig is en, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Dat geldt ook indien tegen het desbetreffende besluit een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt. Slechts indien de bestuursrechter zich bij onherroepelijke uitspraak heeft uitgelaten over het inreisverbod staat het beginsel van formele rechtskracht er aan in de weg dat de strafrechter een verweer dat het inreisverbod onrechtmatig is onderzoekt en daarop beslist. Al zijn op dit beginsel ook weer uitzonderingen gemaakt - bijvoorbeeld evidente strijdigheid met het Unierecht - maar die doen voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet ter zake. Het 'bestuursrechtelijke bestanddeel' van het aan mijn cliënt ten laste gelegde feit Een van de bestanddelen van het aan mijn cliënt ten laste gelegde feit is dat de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst ‘ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a WVW’. Met het oog op dit bestanddeel komt het mij gelet op het voorgaande voor dat de strafrechter ook ten aanzien van dit feit dient te onderzoeken of de grondslag van het ten laste gelegde besluit rechtmatig is. Ook voor een veroordeling voor artikel 9 lid 5 WVW is immers vereist dat komt vast te staan dat het ten laste gelegde besluit (de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs) berust op enig wettelijk voorschrift (artikel 131 lid 2 onder a WVW) - en dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van het bestaan van dit besluit -. Uit de stukken van het CBR volgt dat uit een door het CBR ontvangen melding van de RDW via het Europees meldingssysteem Eucaris zou zijn gebleken dat mijn cliënt op 16 januari 2019 in Duitsland als bestuurder van een auto werd aangehouden met - kort gezegd - drugsgerelateerde stoffen in zijn bloed. Meer of andere informatie over die aanhouding is niet bekend. Op basis van deze informatie - en op basis van deze informatie alleen - twijfelde het CBR eraan of cliënt geestelijk en lichamelijk in staat is om een motorvoertuig te besturen (artikel 130 lid 1 WVW). Meer in het bijzonder heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat het vermoeden bestaat dat mijn cliënt wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag niet langer over de geestelijke geschiktheid beschikt om een motorvoertuig te besturen (artikel 23 lid 3 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en de daarbij behorende bijlage 1, onder B, onderdeel I en II, sub b). Bij besluit d.d. 12 februari 2020 werd daarom aan mijn cliënt op grond van artikel 131 WVW een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en werd op grond van datzelfde artikel, bezien in samenhang met de artikelen 5 en 6 van de regeling de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Cliënt heeft tegen beide besluiten geen bezwaar gemaakt. Een vermoeden van ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen als bedoeld in artikel 130 lid 1 WVW kan worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die zijn genoemd in de bij de regeling behorende bijlage. In het geval van mijn cliënt heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat het vermoeden bestaat dat cliënt wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag niet langer over de geestelijke geschiktheid beschikt om een motorvoertuig te besturen. Dit vermoeden is echter de facto uitsluitend gebaseerd op een eenmalige vaststelling dat in het bloed van cliënt drugsgerelateerde waarden werden aangetroffen. Ik meen dat die enkele omstandigheid op zichzelf genomen niet het vermoeden kan rechtvaardigen dat cliënt wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag niet langer over de geestelijke geschiktheid beschikt om een motorrijtuig te besturen en dat de geldigheid van het rijbewijs van cliënt vanwege die enkele omstandigheid dus niet geschorst had mogen worden. (...) Ook in het besluit dat het CBR aan mijn cliënt oplegde - en ten aanzien waarvan mijn cliënt nu wordt verweten dat hij in strijd met dat besluit heeft gehandeld - wordt in het geheel niet gesproken over aanvullende gegevens die een vermoeden van ongeschiktheid rechtvaardigen. Daar komt nog bij dat met betrekking tot het besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs niet slechts een vermoeden van ongeschiktheid moet worden gegeven, maar dat er sprake moet zijn van een duidelijke aanwijzing dat cliënt lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert. Het CBR had zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat cliënt lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert. Ook om deze reden was er geen grond om tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs over te gaan. Nu het ten laste gelegde besluit (de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs) niet berust op enig wettelijk voorschrift verzoek ik uw gerechtshof om mijn cliënt vrij te spreken.” 2.3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2022 houdt als mededeling van de advocaat-generaal in, kort gezegd, dat het ressortsparket de onderliggende stukken over het in Duitsland verrichte onderzoek naar de aanwezigheid van drugsgerelateerde waarden in het bloed van de verdachte heeft opgevraagd, maar niet heeft ontvangen. 2.3.4 Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en daartoe overwogen: “Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 12 februari 2020 een besluit van het CBR heeft ontvangen waarin staat dat uit een in november 2019 door het CBR ontvangen melding van de RDW, via het Europese meldingssysteem Eucaris, de verdachte als bestuurder van een auto op 16 januari 2019 is aangehouden in Duitsland en dat uit het bloedonderzoek is gebleken dat de verdachte de stoffen THC (met een waarde van 41 ng/ml), MDMA (met een waarde van 540 ng/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.