ECLI:NL:HR:2024:1702
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/03923 Datum 26 november 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2022, nummer 22-001530-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof maar uitsluitend met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het voert daartoe aan dat de verdachte moet worden aangemerkt als ‘echtgenoot’ in de zin van artikel 316 lid 1 in samenhang met artikel 353 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) omdat hij volgens de islamitische wetgeving met de aangeefster is gehuwd.
3.2.1 Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat: “hij, op of omstreeks 5 maart 2020 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een tablet (Microsoft) en/of een televisie (Samsung) en/of een telefoon (Iphone X) en/of een stoel en/of een muur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangeefster] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.”
3.2.2 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2022 heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in: “Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht dient vernieling te worden aanmerkt als een relatief klachtdelict. Vervolging wegens vernieling kan enkel plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
Alhoewel de vernieling heeft plaatsgevonden met betrekking tot goederen die toebehoren aan cliënt, en in bruikleen waren bij [aangeefster] , gaat het OM er vanuit dat deze goederen in eigendom toebehoorde aan [aangeefster] . Dat leidt in deze evenwel tot een onoverkomelijke complicatie.
Zoals [aangeefster] zelf heeft aangegeven tegenover de politie is zij met cliënt getrouwd volgens de Islamitische wetgeving. Nu sprake is van een huwelijk tussen cliënt en [aangeefster] , maakt dit dat de vernieling gezien dient te worden als een klachtdelict. Dat wordt aangenomen dat sprake is van een huwelijk tussen cliënt en [aangeefster] blijkt ook uit het feit dat de raadsheer-commissaris haar voorafgaand aan het verhoor gewezen heeft op haar verschoningsrecht. Om die reden dienen cliënt en [aangeefster] aangemerkt te worden als zijnde echtgenoten dan wel daarmee gelijk gesteld te worden. Nu uit het dossier niet blijkt dat [aangeefster] een klacht heeft ingediend vanwege de vernieling, dient geconcludeerd te worden dat niet overgegaan had kunnen worden tot vervolging. Nu zulks wel is gebeurd, kan het OM daarin niet ontvangen worden. Om die reden verzoekt de verdediging uw Gerechtshof primair om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging ten aanzien van feit 2.”
3.2.3 Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen: “Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat vernieling een relatief klachtdelict is, de aangeefster en de verdachte voor de islamitische wet zijn getrouwd en de aangeefster geen klacht heeft ingediend.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient vernieling te worden aangemerkt als een relatief klachtdelict. Indien de verdachte een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot van het slachtoffer is, kan vervolging wegens vernieling enkel plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte en zij zijn getrouwd volgens de Islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte niet samenwoont met aangeefster. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van artikel 316 Sr en is in dit geval geen klacht nodig voor de vervolging van de verdachte wegens vernieling.
Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.”
3.3 Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
3.4.1 Op grond van artikel 316 lid 1 Sr is strafvervolging van de in die bepaling bedoelde dader of medeplichtige uitgesloten als deze “de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd”. Is wel sprake van zo’n scheiding, dan kan die dader of medeplichtige wel worden vervolgd, maar is in de in artikel 316 lid 2 Sr bedoelde gevallen een klacht vereist “van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd”. Alleen in geval van zo’n scheiding is dus sprake van een zogenoemd relatief klachtdelict. In deze zaak staat echter de uitleg van de in artikel 316 lid 1 Sr opgenomen vervolgingsuitsluitingsgrond centraal, in het licht van het in het cassatiemiddel bedoelde verweer dat de verdachte en de aangeefster zijn gehuwd volgens de islamitische wetgeving.
3.4.2 Van een (niet van tafel en bed of van goederen gescheiden) ‘echtgenoot’ in de zin van artikel 316 lid 1 Sr is sprake in geval van een ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit bestaand (a) huwelijk dat is gesloten op grond van Boek 1, Titel 5, BW, of (b) geregistreerd partnerschap dat is aangegaan op grond van Boek 1, Titel 5a BW, of (c) huwelijk dat rechtsgeldig buiten Nederland is gesloten en in Nederland voor erkenning in aanmerking komt op grond van Boek 10, Titel 3, BW. (Vgl., over artikel 304 lid 1, aanhef en onder 1°, Sr, HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1053.) 3.5.1 Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de aangeefster zijn getrouwd volgens de islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Het hierin besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als een ‘echtgenoot’ in de zin van artikel 316 lid 1 Sr en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van feit 2, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat in hoger beroep door de verdediging niet is aangevoerd dat ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde feit sprake was van een huwelijk als omschreven onder 3.4.2.
3.5.2 Voor zover het cassatiemiddel aanvoert dat in dit geval sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen doordat een in Nederland volgens de islamitische wetgeving gesloten huwelijk niet op één lijn wordt gesteld met een huwelijk als omschreven onder 3.4.2, bestaat voor die ongelijke behandeling – als al sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld – een redelijke en objectieve rechtvaardiging, in aanmerking genomen dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 316 lid 1 Sr een uitzondering is op de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend (vgl. HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587).
3.6 Het cassatiemiddel faalt.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van dertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.