HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/05162 Datum 13 februari 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 december 2021, nummer 21-003736-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de redenen die de straf hebben bepaald niet in het arrest, maar in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft opgegeven. 2.2.1 Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van dertig uren. Het arrest van het hof houdt daarover het volgende in: “Oplegging van straf Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte en diens raadsman. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd. Deze motivering wordt opgenomen in het proces-verbaal van die zitting en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.” 2.2.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in: “Met betrekking tot de strafmaat heeft het hof gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de persoon van de verdachte. Het hof heeft ter terechtzitting niet de indruk bekomen dat verdachte oprechte spijt heeft van wat er is gebeurd. De verantwoordelijkheid ligt primair bij hemzelf, maar verdachte heeft ter terechtzitting veel gesproken over de schuld van de ander. Het lijkt verdachte vooral te spijten dat hij nu zelf verdachte is in een strafzaak. Verder is het hof van oordeel dat het gaat om een ernstig agressief feit, waaraan aangever letsel heeft overgehouden. Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op de ernst van het feit, de documentatie van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. Alles afwegende acht het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair 15 uren hechtenis op zijn plaats. Naar het oordeel van het hof moet het redelijkerwijs mogelijk zijn om deze taakstraf in te passen in het leven van verdachte. Daarnaast acht het hof een stevige stok achter de deur noodzakelijk om herhaling te voorkomen. Het hof is van oordeel dat een voorwaardelijke taakstraf, zoals de politierechter heeft opgelegd, daartoe niet volstaat. Het hof heeft daarbij gelet op de ernst van het feit en het beperkte inzicht in de strafwaardigheid van zijn eigen handelen. Het hof acht daarom een vrijheidsstraf - in voorwaardelijke vorm - passend en geboden. Het hof acht daarom het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.” 2.3 In cassatie zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang: - artikel 327a leden 1 en 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv): “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.