HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/00477 Datum 5 maart 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 januari 2023, nummer 22-000037-22, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.G. de Jong, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte door het hof in het hoger beroep. 2.2.1 Het hof heeft de verdachte - bij verstek - niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe overwogen: “Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Hij is niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen en heeft zijn - wel verschenen - raadsvrouw niet gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren, zodat evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.” 2.2.2 Bij de stukken bevindt zich een appelschriftuur waarop een barcodesticker is aangebracht. Blijkens de datumstempel rechtsboven op deze appelschriftuur is het stuk op 12 januari (de Hoge Raad begrijpt:) 2022 door de griffie van de rechtbank Rotterdam ontvangen. Dit stuk houdt in: “Inzake: [verdachte] / OM HB Uw kenmerk: 10-250354-21 Ons kenmerk: BdJ 22.002 Den Haag, 11 januari 2022 APPELSCHRIFTUUR Edelachtbare Heer / Vrouwe, Op 4 januari 2022 is namens cliënt, [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2002, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter van 21 december 2021. Bijgaand treft u een kopie aan van de akte instellen rechtsmiddel. Hiermede stel ik mij als raadsman van cliënt in de strafzaak in hoger beroep. Cliënt heeft mij uitdrukkelijk gemachtigd onderhavige appèlschriftuur in te dienen. De grieven van cliënt tegen het vonnis van de Politierechter houden in dat cliënt stelt onschuldig te zijn aan het aan hem verweten feit. Ten onrechte heeft de Rechtbank geoordeeld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Evenmin is cliënt het eens met de hoogte van de hem opgelegde straf en de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging. Met vriendelijke groet, [handtekening] A.G. (Bram) de Jong Advocaat Bijlage: akte instellen hoger beroep” 2.3 Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat de verdachte mede daarom op de voet van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet zonder meer begrijpelijk. 2.4 Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. 3Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2024.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.