HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/02525 Datum 2 april 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 juli 2003, nummer 22-003779-02, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.R. Mantz, advocaat te Voorburg, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en het vonnis van de politierechter van 14 augustus 2002 en tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zijn verkorte uitspraak niet heeft aangevuld met de bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt. 2.2 Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat. Verder bevindt zich bij die stukken niet een aanvulling als bedoeld in artikel 365a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt. 2.3 De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van die aanvulling. Daarnaar gevraagd, heeft het hof aan de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt. 2.4 Op grond van artikel 359 leden 3 en 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. 2.5 Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. 2.6 Het vorenstaande leidt ertoe dat de Hoge Raad de uitspraak van het hof zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het gerechtshof Den Haag. Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal merkt de Hoge Raad op dat, gelet op artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), de zaak mogelijk is verjaard. Nu in cassatie niet is geklaagd over de verjaring – die zou (kunnen) zijn ingetreden op een moment voordat de schriftuur is ingediend – heeft de Hoge Raad niet onderzocht of en, zo ja, op welk(e) moment(en) de verjaring is gestuit door daden van vervolging als bedoeld in artikel 72 lid 1 Sr (vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022). Het is aan het hof na terugwijzing om, mede op basis van wat het openbaar ministerie aanvoert over die (eventuele) stuiting, nader te beoordelen of de verjaring van het recht op strafvervolging is ingetreden. 3Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.