HOGE RAAD DER NEDERLANDEN VIERDE KAMER Nummer 24/01239 Datum 26 april 2024 BESLISSING in de zaak van [belanghebbende] (hierna: belanghebbende) betreffende het door belanghebbende ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad. 1De procedure 1.1 Belanghebbende heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 23/04695. 1.2 Bij bericht van 28 maart 2024 is aan belanghebbende meegedeeld dat op 5 april 2024 in de zaak 23/04695 uitspraak zal worden gedaan. Tevens is in dat bericht meegedeeld dat de beslissing zal worden genomen door de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, A.E.H. van der Voort Maarschalk en J. Wortel. 1.3 Bij bericht van 28 maart 2024 dat door belanghebbende in het webportaal van de Hoge Raad is geplaatst, heeft belanghebbende onder meer de wraking verzocht van de hiervoor in 1.2 vermelde leden van de Hoge Raad. Het wrakingsverzoek is bij de Hoge Raad ingeschreven onder nummer 24/01239. Belanghebbende heeft op 2 april 2024 een aanvullend bericht geplaatst in het webportaal van de Hoge Raad. 1.4 De drie leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, hebben meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij afzien van de mogelijkheid te worden gehoord. 1.5 Bij brief van 4 april 2024, die per gewone post en per aangetekende post naar belanghebbende is verzonden, is belanghebbende uitgenodigd om het hiervoor in 1.3 genoemde verzoek mondeling toe te lichten op 15 april 2024. Belanghebbende is niet verschenen. 1.6 De advocaat-generaal W.L. Valk heeft meegedeeld af te zien van het nemen van een conclusie. 2Beoordeling van het wrakingsverzoek 2.1 Op grond van artikel 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 29 AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken. 2.2 Bij de behandeling van het verzoek om wraking moet worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 2.3 Bij voornoemd bericht van 28 maart 2024 heeft belanghebbende het volgende aangevoerd: “Hierbij wordt bezwaar gemaakt tegen bericht dd. 28-03-2024 daar verzocht is om (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.