HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/01003 Datum 26 april 2024 ARREST in de zaak van [X] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 februari 2022, nrs. 20/00796 en 20/00797, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/194 en BRE 20/290) betreffende aan belanghebbende over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 en de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. 1Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.J.A.M. Mossou, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Deze conclusie bevat een klacht die niet anders kan worden begrepen dan als een nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde grond van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat daarom aan die klacht voorbij. 2Beoordeling van het middel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure 3.1 In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 18 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.