HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/02081 Datum 11 juni 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 juni 2022, nummer 22-002792-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Straten, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Bewezenverklaring en bewijsvoering 2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “1. hij op tijdstippen gelegen in de periode van 01 juni 2018 tot en met 27 september 2018 te [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van de misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten: - moord (
(5), voor iedereen. (...). Als, als ze, ze ze, toch, wat als onze Kalashnikov stopt. We hebben een kleine nodig. (...) Een kleine voor het geval dat, want wat er ook gebeurt, wij willen ons niet overgeven. (...) En heb je een vest? (...). En indien mogelijk... over een auto. Ze vroegen zich af hoe reëel het is met een auto. (...) Wat zij willen is een auto. Broeder, wij willen gewoon ..ntv... schade veroorzaken. Ok. Omdat we ons op een festival richten, weet je, na het festival en je hebt duizend mensen, wanneer we ons op het festival richten, zetten we ook een heel grote auto in een andere stad neer. En voordat we naar het festival gaan, blazen we die gewoon op en dan doen we in het festival. Ik zei je, en we verspreiden ons, weetje, we maken een soort van cirkel om het festival heen. Het is een open festival.” Bij de ontmoeting op 30 augustus 2018 heeft [medeverdachte 1] op de vraag van de politie-infiltrant: “heb je nog iets, bekeken sinds de vorige keer, inzake evenementen?” geantwoord: “Dat is geen probleem. Broeder, er zijn er zo veel...” Waarop de politie-infiltrant zegt: “Dus als jij het zegt, we hebben een evenement gevonden in september, we hebben er eentje in oktober gevonden. Dus we weten, ok, het zal ergens in oktober zijn. En dan kun je iets vinden wat dichterbij is. Dan begin ik met voorbereiden, van uhh...” Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en de politie-infiltrant – die, met uitzondering van het gesprek op 18 september 2018, zijn opgenomen – dat het initiatief om een aanslag te plegen van [medeverdachte 1] komt. De politie-infiltrant maakt vanaf het eerste contact duidelijk dat het initiatief bij [medeverdachte 1] ligt en hij slechts kan faciliteren als [medeverdachte 1] aangeeft wat zijn concrete plannen zijn. [medeverdachte 1] ontvouwt die plannen vervolgens en de politie-infiltrant deelt mede wat hij kan regelen op het gebied van wapens en grondstoffen voor het maken van een bom. De politie-infiltrant is als beperkt anonieme getuige als bedoeld in artikel 190 lid 3 Sv bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat hij is gebriefd door de Nederlandse begeleiders. Er is hem gezegd dat hij niet mag provoceren of uitlokken. Hij heeft verder verklaard dat hij – voor zover hem bekend – [medeverdachte 1] nooit iets heeft aangeboden waar hij niet zelf om had gevraagd. [medeverdachte 1] vroeg om vuurwapens, om bomvesten en spullen om een autobom te maken. [medeverdachte 1] is op grond van het hiervoor overwogene naar het oordeel van het hof niet gebracht tot handelingen waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht. De verdachte kan niet via [medeverdachte 1] zijn uitgelokt. Het hof overweegt nog het volgende. De politie-infiltrant heeft in zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij van zijn begeleiders geen informatie heeft ontvangen over andere verdachten dan [medeverdachte 1] . Wel heeft hij tijdens de ontmoeting met [medeverdachte 1] gevraagd of hij alleen was of dat er meer waren. Uit de opgenomen gesprekken van de politie-infiltrant met [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de groep uit vijf personen bestond. [medeverdachte 1] had gezegd dat er anderen waren die hetzelfde wilden doen als hij. Daarom wilde de politie-infiltrant hen ontmoeten. Op 18 september 2018 heeft in [plaats] een ontmoeting plaatsgevonden tussen de politie-infiltrant en een groep van vijf personen waaronder [medeverdachte 1] . Toen pas wist de politie-infiltrant wie de vier anderen waren. Uit het verhoor van de politie-infiltrant als getuige en het door de politie-infiltrant opgestelde proces-verbaal van die bijeenkomst blijkt niet dat de politie-infiltrant de overige vier aanwezigen waaronder verdachte bij de uitvoering van het plan van [medeverdachte 1] heeft betrokken. Conclusie Het hof verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, alsmede het verweer tot bewijsuitsluiting. (...) Motivering straf en maatregel (...) Uittreksel Justitiële Documentatie Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte in 2016 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren in verband met het plegen van voorbereidingshandelingen voor een terroristisch misdrijf. Nu dit vonnis nog niet onherroepelijk was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten zal het hof deze veroordeling niet in strafverzwarende zin meewegen.” 3.3 Artikel 41 leden 1 en 5 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (hierna: Wiv 2017) luidt: “
- De diensten zijn bevoegd tot de inzet van natuurlijke personen, al dan niet onder dekmantel van een aangenomen identiteit of hoedanigheid, die onder verantwoordelijkheid en onder instructie van een dienst zijn belast met het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van de dienst van belang kunnen zijn. De bij of krachtens de wet geldende voorschriften betreffende de verstrekking van gegevens, die gelden voor een natuurlijke persoon als bedoeld in de eerste volzin zijn niet van toepassing op de verstrekking van zodanige gegevens door deze persoon aan de dienst.
- De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, mag bij de uitvoering van de instructie door zijn optreden een persoon niet brengen tot ander handelen betreffende het beramen of plegen van strafbare feiten, dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.” 3.4.1 Op grond van artikel 41 lid 5 Wiv 2017 mag de natuurlijke persoon bij de uitvoering van de instructie als bedoeld in artikel 41 lid 1 Wiv 2017 een (andere) persoon niet tot andere strafbare feiten brengen dan waarop het opzet van die (andere) persoon al tevoren was gericht. Dit voorschrift strekt mede tot bescherming van het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) heeft in dit verband overwogen dat “the use of special investigative methods – in particular, undercover techniques – cannot in itself infringe the right to a fair trial. However, on account of the risk of police incitement entailed by such techniques, their use must be kept within clear limits” (EHRM 5 februari 2008, nr. 74420/01 (Ramanauskas tegen Litouwen), overweging 51). Over deze “clear limits” heeft het EHRM in de zaak Ramanauskas verder overwogen: “
- Furthermore, while the use of undercover agents may be tolerated provided that it is subject to clear restrictions and safeguards, the public interest cannot justify the use of evidence obtained as a result of police incitement, as to do so would expose the accused to the risk of being definitively deprived of a fair trial from the outset (...).
- Police incitement occurs where the officers involved – whether members of the security forces or persons acting on their instructions – do not confine themselves to investigating criminal activity in an essentially passive manner, but exert such an influence on the subject as to incite the commission of an offence that would otherwise not have been committed, in order to make it possible to establish the offence, that is, to provide evidence and institute a prosecution (...).” 3.4.2 Over de vraag of sprake is van “police incitement” en in hoeverre het optreden van opsporingsambtenaren “essentially passive” is, heeft het EHRM in zijn uitspraak van 15 oktober 2020, nr. 40495/15 (Akbay e.a. tegen Duitsland) overwogen: “
- When faced with a plea of police incitement, or entrapment, the Court will attempt to establish, as a first step, whether there has been such incitement or entrapment (substantive test of incitement (...)). (...)
- In order to distinguish police incitement, or entrapment, from the use of legitimate undercover techniques in criminal investigations, the Court has developed the following criteria.
- In deciding whether the investigation was “essentially passive” the Court will examine the reasons underlying the covert operation and the conduct of the authorities carrying it out. The Court will rely on whether there were objective suspicions that the applicant had been involved in criminal activity or was predisposed to commit a criminal offence (see Bannikova, cited above, § 38).
- The Court has found in that context, in particular, that the national authorities had no good reason to suspect a person of prior involvement in drug trafficking where he had no criminal record, no preliminary investigation had been opened against him and there was nothing to suggest that he had a predisposition to become involved in drug dealing until he was approached by the police (see Teixeira de Castro, cited above, § 38; confirmed in Edwards and Lewis v. the United Kingdom [GC], nos. 39647/98 and 40461/98, §§ 46 and 48, ECHR 2004-X; Khudobin v. Russia, no. 59696/00, § 129, ECHR 2006-XII (extracts); Ramanauskas, cited above, § 56; and Bannikova, cited above, § 39; see also Pyrgiotakis, cited above, § 21). The following may, depending on the circumstances of a particular case, be considered indicative of pre-existing criminal activity or intent: the applicant’s demonstrated familiarity with the current prices for drugs and ability to obtain drugs at short notice (compare Shannon v. the United Kingdom (dec.), no. 67537/01, ECHR 2004-IV); and the applicant’s pecuniary gain from the transaction (see Khudobin, cited above, § 134, and Bannikova, cited above, § 42).
- When drawing the line between legitimate infiltration by the police and incitement to commit an offence, the Court will further examine the question of whether the applicant was subjected to pressure to commit the offence. In drug cases it has found the abandonment of a passive attitude by the investigating authorities to be associated with such conduct as taking the initiative in contacting the applicant, renewing the offer despite his or her initial refusal, insistent prompting, raising the price beyond average or appealing to the applicant’s compassion by mentioning withdrawal symptoms (see, among other authorities, Bannikova, cited above, § 47, and Veselov and Others v. Russia, nos. 23200/10 and 2 others, § 92, 2 October 2012).
- The Court has further recognised that a person can also be subjected to entrapment if he or she was not directly in contact with the police officers working undercover, but had been involved in the offence by an accomplice who had been directly incited to commit an offence by the police (compare Lalas v. Lithuania, no. 13109/04, §§ 41 et seq., 1 March 2011). There has been entrapment, as opposed to legitimate undercover techniques in criminal investigations, in these circumstances if the acts of the police represented an inducement to commit the offence for this further person as well (compare Lalas, cited above, § 45, and Grba v. Croatia, no. 47074/12, § 95, 23 November 2017). The Court has taken into account in this connection whether it was foreseeable for the police that the person directly incited to commit the offence was likely to contact other persons to participate in the offence, whether that person’s activities were also determined by the conduct of the police officers and whether the persons involved were considered accomplices in the offence by the domestic courts (compare Lalas, cited above, § 45; see also Ciprian Vlăduț and Ioan Florin Pop v. Romania, nos. 43490/07 and 44304/07, §§ 84-94, 16 July 2015, in which the Court appears to have considered that both the applicant directly in contact with the undercover agent and his accomplice were incited to commit a drug offence).
- When applying the above criteria, the Court places the burden of proof on the authorities. It falls to the prosecution to prove that there was no incitement, provided that the defendant’s allegations are not wholly improbable. In practice, the authorities may be prevented from discharging this burden by the absence of formal authorisation and supervision of the undercover operation (see Bannikova, cited above, § 48). The Court has emphasised in that context the need for a clear and foreseeable procedure for authorising investigative measures, as well as for their proper supervision. It has considered judicial supervision the most appropriate means in cases of covert operations (see Bannikova, cited above, §§ 49-50, and Matanović, cited above, § 124; compare Edwards and Lewis, cited above, §§ 46 and 48).
- Where, under the substantive test of incitement, on the basis of the available information the Court has been able to find with a sufficient degree of certainty that the domestic authorities investigated the applicant’s activities in an essentially passive manner and did not incite him or her to commit an offence, that would normally be sufficient for the Court to conclude that the subsequent use in the criminal proceedings against the applicant of the evidence obtained by the undercover measure does not raise an issue under Article 6 § 1 of the Convention (see, for instance, Scholer, cited above , § 90, and Matanović, cited above, § 133).” 3.4.3 Over de rechterlijke toetsing in geval van een beroep door de verdediging op het instigatieverbod houdt de uitspraak van het EHRM in de zaak Akbay e.a. tegen Duitsland in: “
- In order to determine whether the trial was fair, the Court has further clarified in its more recent case-law that it will be necessary to proceed, as a second step, with a procedural test of incitement not only if the Court’s findings under the substantive test are inconclusive owing to a lack of information in the file, the lack of disclosure or contradictions in the parties’ interpretations of events, but also if the Court finds, on the basis of the substantive test, that an applicant was subjected to incitement (see Matanović, cited above, § 134, and Ramanauskas v. Lithuania (no. 2), no. 55146/14, § 62, 20 February 2018).
- The Court applies this procedural test in order to determine whether the necessary steps to uncover the circumstances of an arguable plea of incitement were taken by the domestic courts and whether in the case of a finding that there has been incitement, or in a case in which the prosecution failed to prove that there was no incitement, the relevant inferences were drawn in accordance with the Convention (see Ramanauskas, cited above, § 70; Ciprian Vlăduț and Ioan Florin Pop, cited above, §§ 87-88; and Matanović, cited above, § 135).
- While the Court will generally leave it to the domestic authorities to decide what procedure is to be followed when the courts are faced with a plea of incitement, it has indicated that the domestic courts must deal with an entrapment complaint in a manner compatible with the right to a fair hearing where the complaint of incitement constitutes a substantive defence, places the court under a duty to either stay the proceedings as an abuse of process or to exclude any evidence obtained by entrapment, or leads to similar consequences (compare Bannikova, cited above, §§ 54-56; Matanović, cited above, § 126; and Ramanauskas (no. 2), cited above, § 59).
- The Court has reiterated in its well-established case-law in this context, in particular, that the public interest in the fight against crime cannot justify the use of evidence obtained as a result of police incitement, as to do so would expose the accused to the risk of being definitively deprived of a fair trial from the outset (see, inter alia, Teixeira de Castro, cited above, §§ 35-36; Edwards and Lewis, cited above, §§ 46 and 48; Vanyan, cited above, § 46; Ramanauskas, cited above, § 54; Bannikova, cited above, § 34; and Furcht, cited above, §§ 47 and 64). For the trial to be fair within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention, all evidence obtained as a result of police incitement must be excluded or a procedure with similar consequences must apply (see Lagutin and Others v. Russia, nos. 6228/09 and 4 others, § 117, 24 April 2014, with further references, and Furcht, cited above, § 64). A person cannot be punished for a criminal activity (or a part thereof) which was the result of incitement on the part of the State authorities (see Grba, cited above, § 103).
- The Court has therefore held that where an applicant’s conviction for an offence was based on evidence obtained by police incitement, even a considerable mitigation of the applicant’s sentence cannot be regarded as a procedure with similar consequences to the exclusion of the impugned evidence (see Furcht, cited above, §§ 68-69). Moreover, it has clarified that a confession to an offence committed as a result of incitement cannot eradicate either the incitement or its effects (see Ramanauskas, cited above, § 72, and Bannikova, cited above, § 60).” 3.5.1 In zijn onder 3.2 weergegeven overwegingen heeft het hof onder meer de volgende vaststellingen gedaan.Op 26 april 2018 heeft de AIVD een ambtsbericht uitgegeven aan de landelijk officier terrorismebestrijding van het openbaar ministerie. Daarin is vermeld dat [medeverdachte 1] de intentie heeft om met een groep personen een “jihadistisch gemotiveerde aanslag” te plegen, dat hij hiervoor voorbereidingen treft en op zoek is naar “aanslagmiddelen voor meerdere personen en iemand die hierin kan faciliteren”. Naar aanleiding van dit ambtsbericht is een strafrechtelijk opsporingsonderzoek (26Orem) gestart, waarbij op grond van artikel 126h Sv een bevel tot infiltratie is gegeven dat betrekking heeft op [medeverdachte 1] . De betreffende politie-infiltrant heeft onder de naam “ [betrokkene 7] ” contact opgenomen met [medeverdachte 1] .Parallel aan het opsporingsonderzoek hebben ook “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ” – van wie het hof “veronderstellenderwijs” heeft aangenomen dat zij waren “gelieerd” aan de AIVD – de al lopende contacten met [medeverdachte 1] voortgezet. Daarover heeft [medeverdachte 1] als getuige in deze strafzaak verklaard dat hij een aanslag wilde plegen met onder anderen de verdachte en dat hij het plan om een aanslag te plegen op de Gay Pride heeft besproken met “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ”. Deze verklaring vindt steun in andere stukken, waaronder de door zijn raadsman op de terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak overgelegde – en aan het dossier in de onderhavige strafzaak toegevoegde – e-mailwisseling tussen [medeverdachte 1] en “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ”. Verder heeft [medeverdachte 1] tegen de politie-infiltrant “ [betrokkene 7] ” verklaard dat “ [betrokkene 5] ” ten opzichte van [medeverdachte 1] heel voorzichtig was en het initiatief aan [medeverdachte 1] liet. Het hof heeft verder vastgesteld dat [medeverdachte 1] alleen per e-mail contact heeft onderhouden met “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ” en hen nooit heeft ontmoet.Uit aan hen gerichte e-mails van [medeverdachte 1] van 28 mei 2018 en 29 juni 2018 konden “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ” afleiden dat [medeverdachte 1] op korte termijn een aanval zou kunnen uitvoeren op militairen of op langere termijn een aanslag zou kunnen plegen op bijvoorbeeld de Gay Pride (in augustus). Het door “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ” intensiveren van het e-mailcontact om [medeverdachte 1] van zijn aanslag op militairen af te houden en de aanmoediging om bij het plan te blijven om contact op te nemen met “een trustworthy brother” die hem bij de volgende stappen zou begeleiden (in plaats van nu een aanslag te plegen), had mede tot gevolg dat het op 5 juli 2018 tot een ontmoeting van [medeverdachte 1] met de politie-infiltrant “ [betrokkene 7] ” kwam. Hiermee heeft de AIVD zijn bevoegdheden niet aangewend voor strafvorderlijke doeleinden, maar om een aanslag op militairen op korte termijn te voorkomen.De landelijk officier terrorismebestrijding van het openbaar ministerie heeft drie processen-verbaal van bevindingen opgesteld waarin hij heeft uiteengezet in hoeverre de AIVD betrokken is geweest in de aanloop naar en gedurende de loop van het politieonderzoek 26Orem. Verder is deze landelijk officier ten overstaan van de raadsheer-commissaris als getuige gehoord. Hieruit komt naar voren dat hij de door de AIVD aan hem verstrekte informatie voor het uitgeven van een ambtsbericht heeft getoetst en daarnaar ook met “strafvorderlijke blik” heeft gekeken. Die “strafvorderlijke blik” strekte zich ook uit tot de onderliggende stukken van de ambtsberichten gedurende het parallelle onderzoek. Bij het toetsen van de verstrekte gegevens heeft deze landelijk officier verder niet alleen de belangen in aanmerking genomen van de persoon op wie het ambtsbericht ziet, maar ook die van derden. 3.5.2 Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat, hoewel de verslaglegging van het optreden van de AIVD niet volledig is te controleren, de verdediging in de gelegenheid is geweest de basis van het onderzoek – het ambtsbericht van 26 april 2018 – en de veronderstelde inzet van de AIVD tijdens het parallelle onderzoek in zekere mate te toetsen en dat daarbij geen onregelmatigheden zijn gebleken. Verder heeft het hof geoordeeld dat uit de e-mails tussen [medeverdachte 1] , “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ” niet blijkt dat [medeverdachte 1] door “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ” tot het voornemen tot het plegen van een aanslag is gebracht. In dat oordeel ligt besloten dat “ [betrokkene 6] ” en “ [betrokkene 5] ” in hun contacten met [medeverdachte 1] “essentially passive” zijn gebleven en dat [medeverdachte 1] niet door hen “was subjected to pressure to commit the offence”. Daarbij heeft het hof ten overvloede overwogen dat [medeverdachte 1] op de terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak is gevraagd om de stelling dat hij onder druk is gezet en is gehersenspoeld toe te lichten en dat [medeverdachte 1] toen een beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan, en dat de verklaring die [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige over de e-mails heeft afgelegd “niet concreet” is geworden. 3.5.3 Op grond van dit alles heeft het hof geoordeeld dat niet is gebleken dat artikel 41 lid 5 Wiv 2017 jegens [medeverdachte 1] is geschonden en dat het gebruik voor het bewijs tegen de verdachte van de communicatie tussen [medeverdachte 1] en de politie-infiltrant en de directe resultaten daarvan niet in strijd is met het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Dat oordeel getuigt – mede gelet op de onder 3.4 weergegeven rechtspraak van het EHRM – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft ook in voldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van het in het eerste cassatiemiddel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid. 3.6 De cassatiemiddelen falen. 4Beoordeling van het zesde cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het oogmerk van de organisatie “slechts gericht was op één feitelijk gebeuren” (dat gepaard ging met meerdere misdrijven). 4.2 Het hof heeft over de bewezenverklaring van feit 2 overwogen: “Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in de zin van artikel 140a Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk. Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en op grond van de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde overweegt het hof als volgt. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich in de periode van 1 juni 2018 tot en met 27 september 2018 gezamenlijk voorbereid om een aanslag met een terroristisch oogmerk te plegen. [medeverdachte 1] nam hierin het voortouw en onderhield contact met de politie-infiltrant [betrokkene 7] . De medeverdachte [medeverdachte 4] was [medeverdachte 1] behulpzaam bij het verwerven van grondstoffen voor een autobom. Tevens waren er medeverdachten die zich soms in de omgeving van een samenkomst van [medeverdachte 1] en [betrokkene 7] ophielden, waarbij [medeverdachte 4] zelfs kennismaakte met [betrokkene 7] .De verdachte is bij een aantal belangrijke bijeenkomsten aanwezig geweest, welke bijeenkomsten dienden ter verwezenlijking van het doel van de criminele organisatie, te wezen het plegen van een aanslag. De verdachte heeft tijdens de bijeenkomst in het park een wezenlijke bijdrage geleverd. Hij heeft commentaar geleverd op de wijze waarop de benodigde grondstoffen voor een explosief waren aangeschaft. Hij spreekt over het doel van de aanschaf van vuurwapens en vertelt [betrokkene 7] dat hij al getraind heeft met airsoftwapens in een gesimuleerde oorlog. Op de vraag van [betrokkene 7] of hij hetzelfde wil als [medeverdachte 1] antwoordt hij bevestigend. Ook tijdens de bijeenkomst in het huisje heeft de verdachte zich, zoals eerder vermeld, niet onbetuigd gelaten. Zo heeft hij onder meer zijn, in het huisje in [plaats] aanwezige, medeverdachten uitgelegd hoe een wapen geladen en doorgeladen dient te worden. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van een terroristische aanslag gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook gedragingen heeft ondersteund die verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaand oogmerk. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr. Ook het onder 2 tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen.” 4.3 Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen. Het gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van dergelijke misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. (Vgl., over artikel 140 Sr, HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, rechtsoverweging 2.4.2 en 2.4.4.) 4.4 Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat van “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven” als bedoeld in artikel 140a Sr pas sprake kan zijn als de organisatie het oogmerk had “om gedurende enige tijd” meerdere terroristische misdrijven te plegen. Die opvatting vindt – mede in het licht van wat onder 4.3 is overwogen – in haar algemeenheid geen steun in het recht. Het oordeel van het hof dat het oogmerk van de organisatie waaraan de verdachte deelnam, gericht was op het plegen van de in de bewezenverklaring van feit 2 genoemde terroristische misdrijven is ook niet onbegrijpelijk. 4.5 Het cassatiemiddel faalt. 5Beoordeling van het zevende cassatiemiddel 5.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarin het onder 4 tenlastegelegde wordt bestreden met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken (een alternatief scenario). 5.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 102 tot en met
- 6Beoordeling van het achtste cassatiemiddel 6.1 Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een begin van uitvoering van het in de bewezenverklaring onder 4 bedoelde misdrijf. 6.2 Het hof heeft over de bewezenverklaring van feit 4 overwogen: “9.2 Verweren ten aanzien van feit 4 De verdediging is van mening dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot moord dan wel doodslag op een of meer politieambtenaren en voert hiertoe een drietal verweren. De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de trekker van zijn vuurwapen overhaalde op het moment dat hij dit op een of meerdere politieambtenaren richtte.Subsidiair is volgens de raadsvrouw sprake van een absoluut ondeugdelijke poging, nu het wapen onklaar gemaakt was, waardoor het onmogelijk was hiermee scherpe patronen af te schieten. (...) 9.2.1 Het richten van het vuurwapen De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van dit feit, omdat “niet kan worden vastgesteld dat de verdachte, toen leden van de DSI de bestelbus waarin ook de verdachte zich bevond openden teneinde hem aan te houden, de trekker van zijn vuurwapen overhaalde op het moment dat hij dit op één of meerdere DSI-leden richtte”. Naar aanleiding hiervan heeft nader onderzoek plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in een kolommenoverzicht van de processen-verbaal met nummers 1812, 2470 en 1686 – de uitwerking van de camerabeelden en de bevindingen van verbalisanten B-173 en B-195 – en een aanvullend proces-verbaal met nummer 3051 d.d. 22 februari
- In het kolommenoverzicht zijn de bevindingen van de drie genoemde processen-verbaal naast elkaar weergegeven waarbij de tijdsaanduiding leidend is, zodat in één overzicht zichtbaar wordt wat op welk moment zowel binnen als buiten het busje gebeurt.Het aanvullend proces-verbaal heeft – evenals het proces-verbaal met nummer 1812 – betrekking op de camerabeelden in de bestelbus kort voorafgaand en tijdens de aanhouding van de verdachte en de medeverdachten (met uitzondering van de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ). De beeldopnamen zijn per frame bekeken, waarbij opmerking verdient dat gebruikelijk 24, 25 of 30 frames per seconden worden bekeken en dat de beeldopnamen in het busje ongeveer 1/6 van het gebruikelijke aantal frames per seconde bevatten. Enkele frames hebben geleid tot de volgende aanvullende bevindingen met betrekking tot het richten en schieten (trekhandeling) door de verdachte gericht tegen leden van de DSI: - p. 15: “Vlak voordat de schuifdeur van het vrachtcompartiment werd geopend door leden van de DSI, bemerkte [verdachte] kennelijk dat de Glock blokkeerde, aangezien hij moeiteloos een eerste storingsreactie uitvoerde. Dit was een bewuste handeling daar [verdachte] rekening hield met de doorgeladen positie van de Glock. Te zien is dat de rechter wijsvinger, ten tijde van de storingsreactie, gestrekt op de slede werd geplaatst. Hierna plaatste [verdachte] de rechter wijsvinger terug in een gebogen vorm om de trekker.” - p. 16: “Aan de lichtinval was te zien dat de schuifdeur van het vrachtcompartiment vervolgens werd geopend door leden van de DSI. Hierop voerde [verdachte] wederom moeiteloos een tweede storingsreactie uit met de Glock en herhaalde feitelijk voorgaande handeling. Aan de hand van de beelden is te zien dat er ditmaal een patroon uit de ‘kamer’ van de slede werd geworpen en naast [verdachte] belandde op de bodem van het vrachtcompartiment.”- p. 17: “Na de tweede storingsreactie strekte [verdachte] zijn rechterarm en richtte kennelijk rechtstreeks met de Glock naar de geopende schuifdeur. Ik zag via de beeldopname van de buitenkant dat diverse leden van de DSI op dat moment voor de geopende schuifdeur stonden.” Het hof neemt op de beelden op deze pagina waar dat de vinger op het onderste beeld meer gebogen is dan op het bovenste beeld. - p. 18: “Aan de hand van de beelden is te zien dat dit het eerste moment was dat [verdachte] de Glock gericht had op leden van de DSI. Te zien is dat [verdachte] de rechter wijsvinger in een gebogen vorm op de trekker hield. Naar alle waarschijnlijkheid haalde [verdachte] de trekker over om gericht een schot te plaatsen, echter bemerkte [verdachte] wederom dat de Glock blokkeerde en voerde vervolgens moeiteloos een derde storingsreactie uit.”- p. 20: “Te zien is dat vervolgens de achterportieren werden geopend, waarop [verdachte] direct reageerde en zijn focus verlegde van de zijkant naar de achterkant van het vrachtcompartiment. Vanaf dat moment hield [verdachte] de Glock onafgebroken gericht op leden van de DSI met de rechter wijsvinger op de trekker.” - p. 21: “Nadat [verdachte] zich had omgedraaid nam hij een vaardige schiethouding aan met beide armen. [verdachte] leunde, in eerste aanleg, met zijn rug tegen de zijkant van het vrachtcompartiment en strekte zijn armen deels naar voren. Kort hierop was te zien dat [verdachte] naar voren bewoog en zich daardoor kennelijk stabieler positioneerde om af te vuren.” - p. 23: “Te zien is dat [verdachte] de Glock naar voren richtte met gestrekte armen in een onbeweeglijke houding zoals eerder waargenomen in het vakantiehuis nadat de Glock werd verstrekt.” Het hof overweegt dat bovengenoemde handelingen plaatsvonden in een tijdsbestek van 7 à 8 seconden. Rechercheur 563 die dit aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt, verbaliseert naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen als volgt. “Bij nadere analyse van verschillende frames is mij gebleken dat [verdachte] meerdere malen de trekker had overgehaald, niet wetende dat de geleverde (hand)vuurwapens onklaar waren gemaakt. (...) Deze handelingen zijn pas zichtbaar door de betreffende frames achter elkaar te bekijken, waaruit blijkt dat de rechter wijsvinger van een licht gestrekte vinger naar een volledig gebogen vinger om de trekker beweegt. Deze trekker handeling komt exact overeen met de eerdere waarneming in het vakantiehuis op het moment dat [verdachte] vaardige handelingen uitvoerde met de Glock en aldaar een schot simuleerde door de trekker over te halen met de rechter wijsvinger. Aan de hand van de frames blijkt dat [verdachte] op de volgende momenten de trekker één of meerdere malen heeft overgehaald:- Na de derde storingsreactie, gericht op één of meerdere lid/leden van de DSI staande in/bij de geopende schuifdeur van het vrachtcompartiment; - Na het openen van (achter-)portieren; gericht op één of meerdere lid/leden van de DSI.” Het hof overweegt dat het gegeven dat uit de bevindingen blijkt dat de verdachte drie keer een storingsreactie heeft uitgevoerd, overeenkomt met het feit dat in het busje in ieder geval drie patronen zijn gevonden. Immers, een handeling om een storing te verhelpen is het opnieuw naar achteren trekken van de slede teneinde het eventueel storende patroon uit te werpen, waardoor het wapen opnieuw doorgeladen is. Op grond van de hierboven beschreven handelingen van de verdachte en het gegeven dat er op de bodem van het busje drie patronen zijn gevonden in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte op het moment dat hij richtte op meerdere leden van de DSI de trekker van het wapen daadwerkelijk heeft overgehaald. Het verweer wordt dan ook verworpen. 9.2.2 Absoluut ondeugdelijke poging De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte een vuurwapen in handen had dat niet werkte – hetgeen hij wist – en ook nooit zou kunnen werken, zodat hij een absoluut ondeugdelijk middel gebruikte. Er is daarmee geen begin van uitvoering hetgeen voor een strafbare poging wel vereist is. Verdachte veronderstelde dat het wapen werkte Het hof stelt voorop dat de verdachte op 27 september 2018 van de politie-infiltranten in het vakantiehuisje in [plaats] een onklaar gemaakt handvuurwapen van het merk Glock in ontvangst heeft genomen dat hij in zijn buiktasje heeft gestoken. Hierna zat hij met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] achterin het bestelbusje. Hij zegt dan: “Ik durf nu te garanderen, ze doen het. (...). Ik heb dat wapen, ik heb naar binnen gekeken, je zag ook dat het echt eentje die al wat vuur heeft gezien en niet wat de AIVD gedaan heeft., buiten (ntv) dat is [betrokkene 6] , we zijn goed (...) jij hebt het niet verkeerd.” Uit deze opmerkingen van de verdachte wordt afgeleid dat hij kort daarvoor in het vakantiehuisje een ander vuurwapen heeft gecontroleerd – hetgeen steun vindt in de videobeelden uit dat huisje – en heeft vastgesteld dat dat wapen al was gebruikt. Hij concludeerde dat het niet door de AIVD was geprepareerd en dat “we goed zijn”. Daaruit leidde de verdachte af dat de wapens – waaronder ook de Glock die in zijn buiktasje zat – “het doen”. Ook het doorladen van de Glock voor de aanhouding duidt erop dat de verdachte veronderstelde dat het pistool werkte. Ondeugdelijke poging De vraag is of het trachten te schieten met een onklaar gemaakt vuurwapen door de verdachte die veronderstelde dat het vuurwapen zou werken een strafbare poging oplevert. Het hof stelt vast dat vier verdachten – waaronder de verdachte – in het vakantiehuisje van de politie-infiltranten training hebben gekregen in het gebruik van de Glock. Zij vroegen vervolgens aan de politie-infiltranten of zij de wapens in hun onmiddellijke nabijheid mogen houden om zich te kunnen verdedigen als de politie komt. Ook de verdachte hield de Glock binnen handbereik. Verder stelt het hof vast dat de Glock die de verdachte richtte op de DSI bestemd is “om projectielen door een loop af te schieten”. Het pistool was door de politie technisch aangepast zodat het niet mogelijk was scherpe patronen af te schieten. Deze technische aanpassing was met het blote oog niet waarneembaar. Na inbeslagname onder de verdachte heeft de politie vastgesteld dat een gevuld patroonmagazijn in het wapen aanwezig was en een patroon in de kamer zat. Het vuurwapen was gespannen. De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen doorlaadde toen het busje stopte, maar het wapen het niet deed. Tegen deze achtergrond en in het bijzonder gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de gedragingen van de verdachte tegenover de DSI – het doorladen van de Glock, het richten op de DSI en het overhalen van de trekker – oordeelt het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van moord althans doodslag (vgl. HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2761). Van een absoluut ondeugdelijke poging is geen sprake.” 6.3.1 Artikel 45 lid 1 Sr luidt: “Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.” 6.3.2 Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. (Vgl. HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479). 6.4 Het hof heeft in zijn onder 2.2 en 6.2 bedoelde bewijsvoering onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte en zijn mededaders [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben in het vakantiehuisje in [plaats] van twee politie-infiltranten training gekregen in het gebruik van vooraf door de politie onklaar gemaakte Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens. De verdachten vroegen aan de politie-infiltranten of zij de wapens in hun onmiddellijke nabijheid mochten houden om zich te kunnen verdedigen als de politie kwam. Vervolgens heeft de verdachte zo’n vuurwapen (Glock) in zijn buiktasje gestoken, is hij met zijn mededaders achterin een bestelbusje gestapt en heeft hij over de vuurwapens gezegd: “Ik durf nu te garanderen, ze doen het”. Toen leden van de Dienst Speciale Interventies (hierna: DSI) van de politie de bestelbus openden om de verdachte aan te houden, richtte hij het vuurwapen op hen. Dat wapen was bestemd “om projectielen door een loop af te schieten”. Het vuurwapen was echter door de politie technisch aangepast zodat het niet mogelijk was scherpe patronen af te schieten. Deze technische aanpassing was met het blote oog niet waarneembaar. Na de inbeslagneming van dit gespannen wapen onder de verdachte heeft de politie vastgesteld dat er een gevuld patroonmagazijn in aanwezig was en dat een patroon in de kamer zat. De verdachte had het vuurwapen doorgeladen toen het busje waarin hij zat stopte, maar het wapen deed het niet toen hij de trekker overhaalde op het moment dat hij werd geconfronteerd met de DSI. 6.5 In het licht van wat onder 6.3.2 is vooropgesteld, getuigt het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van doodslag en dat van een ‘absoluut ondeugdelijke poging’ geen sprake is, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat de verdachte – die veronderstelde dat het wapen functioneerde – in een tijdsbestek van zeven à acht seconden driemaal de trekker heeft overgehaald en daarbij het wapen gericht hield op één of meer leden van de DSI en dat de verdachte daartoe driemaal een “storingsreactie” heeft uitgevoerd om de eventueel storende patroon uit te werpen, waardoor het wapen opnieuw doorgeladen werd. 6.6 Het cassatiemiddel faalt. 7Beoordeling van het negende cassatiemiddel 7.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 7.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien jaren en zes maanden. 8Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 9Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze zestien jaren beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2024.