HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/04592 Datum 14 juni 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen 1. het DAGELIJKS BESTUUR VAN HET WATERSCHAP DE DOMMEL 2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2022, nr. 21/00773, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 19/318) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake invorderingsrente. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Zowel het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend. Aangezien deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht. 1.2 De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 17 november 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Naar aanleiding van een verlaging van een aanslag in de watersysteemheffing gebouwd voor het jaar 2010 heeft de invorderingsambtenaar van het Waterschap De Dommel belanghebbende bij beschikking van 5 februari 2018 een bedrag van € 1,20 aan invorderingsrente vergoed. Belanghebbende heeft bij brief van 17 maart 2018 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. De invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak van 18 december 2018 het bezwaar ongegrond verklaard. 2.2 Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld en aangevoerd dat het te vergoeden bedrag aan invorderingsrente € 2 moet zijn. Daarbij heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht om een vergoeding van immateriële schade in geval van overschrijding van de redelijke termijn voor de fase van eerste aanleg. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 15 april 2021 het beroep ongegrond verklaard en het hiervoor bedoelde verzoek om schadevergoeding afgewezen. 2.3 Voor het Hof was in geschil of het bedrag aan invorderingsrente te laag is vastgesteld en of de Rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn terecht heeft afgewezen. 2.4.1 Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – het standpunt van belanghebbende dat het bedrag aan invorderingsrente op € 2 moet worden gesteld, verworpen. Het heeft beslist dat de beschikking inzake invorderingsrente van € 1,20 in stand blijft. 2.4.2 Het Hof heeft geconstateerd dat op het moment dat de Rechtbank uitspraak heeft gedaan, sinds de indiening van het bezwaarschrift de voor de procedure in eerste aanleg als redelijk aan te merken termijn van twee jaren voor het beslechten van het geschil is overschreden. In beginsel zou daarom recht bestaan op vergoeding van immateriële schade als gevolg van spanning en frustratie. Wanneer echter een geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang, bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft veroorzaakt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, heeft het Hof geoordeeld dat een procedure betrekking heeft op een zeer gering financieel belang, indien de som van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen niet meer beloopt dan € 15. 2.4.3 Aangezien het financiële belang van belanghebbende bij deze procedure € 0,80 (€ 2,00 minus € 1,20) bedraagt, heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen, aldus het Hof. Dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep griffierecht heeft betaald en wellicht proceskosten heeft gemaakt, doet naar het oordeel van het Hof geen financieel belang als hiervoor bedoeld ontstaan. Het Hof heeft volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 3Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing Inleiding 3.1.1 Het middel klaagt over de wijze waarop het Hof het financiële belang bij deze procedure heeft vastgesteld. Het betoogt dat het Hof het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet had mogen afwijzen op de grond dat het financiële belang bij de procedure niet meer dan € 15 bedroeg. 3.1.2 Het middel zal worden beoordeeld in onderdeel 4. De Hoge Raad zal hierna eerst – met het oog op duidelijkheid voor de rechtspraktijk – de hoofdlijnen van zijn rechtspraak over het bepalen van het vereiste financiële belang bij een procedure samenvatten en verduidelijken (rechtsoverwegingen 3.2.1 tot en met 3.3.5). Daarop aansluitend zal de Hoge Raad een gedeeltelijke wijziging van die rechtspraak aankondigen (rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.6) en aanwijzingen geven over de overgang naar toepassing van die gewijzigde rechtspraak (rechtsoverweging 3.5). Rechtspraak over vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting 3.2.1 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, die is samengevat in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, wordt in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht.Voor deze schadevergoeding dient als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Betreft een procedure zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete, dan worden die schadevergoeding, en de boetevermindering of schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boete, zo nodig naast elkaar toegepast. 3.2.2 De Hoge Raad heeft in belastingzaken, afgezien van geschillen over een bestuurlijke boete, tot de hiervoor in 3.2.1 bedoelde bijzondere omstandigheden gerekend het geval dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het begrip ‘financieel belang bij de procedure’ 3.3.1 Het hiervoor in 3.2.2 bedoelde financiële belang kan alleen betrekking hebben op een of meer belastingaanslagen en/of voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, leden 1 en 2, AWR waarover de belastingplichtige een procedure voert (hierna: fiscale beschikkingen). Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt daarom geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters met betrekking tot zo’n procedure, dat wil zeggen beslissingen die verband houden met het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Dat betreft bijvoorbeeld beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade, en beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Dat geldt ook indien in hogere instantie een dergelijke nevenbeslissing mede of uitsluitend in geschil is. Bij de vaststelling van het hiervoor in 3.2.2 bedoelde financiële belang wordt, zoals volgt uit de slotzin van 3.2.1, in procedures waarin het geschil mede betrekking heeft op een bestuurlijke boete, evenmin rekening gehouden met het financiële belang dat is gemoeid met die boete. De gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn worden voor dat deel van het geschil afzonderlijk beoordeeld. 3.3.2 Indien een zaak betrekking heeft op meer aanslagen en/of andere fiscale beschikkingen, bijvoorbeeld een belastingaanslag en een daarmee samenhangende beschikking inzake belastingrente, dient te worden uitgegaan van het totale financiële belang dat is gemoeid met de geschillen over die aanslagen en/of andere fiscale beschikkingen. In gevallen waarin twee of meer zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, dient voor de vaststelling van het financiële belang te worden uitgegaan van het totale financiële belang dat gemoeid is met de geschillen in al die zaken.Als de belanghebbende om redenen van doelmatigheid een afspraak met het bestuursorgaan heeft gemaakt op grond waarvan de uitkomst van een procedure (hierna: de proefprocedure) bepalend is voor de afloop van een of meer andere procedures van diezelfde belanghebbende over soortgelijke fiscale beschikkingen, staat het de rechter bij een overschrijding van de redelijke termijn in de proefprocedure vrij om naast het financiële belang dat gemoeid is met die procedure, ook rekening te houden met het financiële belang dat gemoeid is met die andere fiscale beschikking(en). 3.3.3 Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.