HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/01969 Datum 28 juni 2024 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG tegen [X] B.V. (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 maart 2023, nr. BK-22/00616, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/5472) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar
- 1Geding in cassatie 1.1 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende, vertegenwoordigd door K.A.G.M. Domen, heeft een verweerschrift ingediend.Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend. 1.2 De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 20 oktober 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.Zowel het College als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Beoordeling van de klacht De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 17, lid 4, van de Wet waardering onroerende zaken aldus moet worden uitgelegd, dat de aan de eigenaar van een gebouwd eigendom in aanbouw in rekening te brengen omzetbelasting steeds tot de (gecorrigeerde) vervangingswaarde van die onroerende zaak behoort, ook als de eigenaar deze belasting in aftrek kan brengen op de door hem verschuldigde omzetbelasting. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat dit standpunt onjuist is. De daartegen gerichte klacht faalt. 3Proceskosten Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. 4Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en - veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 5.907 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni
- Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag wordt een griffierecht geheven van €
- ECLI:NL:GHDHA:2023:
- ECLI:NL:PHR:2023:943, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:
- Zie HR 28 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:812.