HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01167 Datum 8 juli 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 maart 2024, nummer 21-005140-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van ’t Hullenaar bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de advocaat E.W. Bosch een verweerschrift ingediend. De advocaat-generaal T. Hartlief heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de [benadeelde 2] voor zover daarin een bedrag van € 198.057,00 voor vergoeding van gederfd levensonderhoud is begrepen en de daarmee samenhangende oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 2] , tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht, en tot verwerping voor het overige. De advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte op grond van artikel 6:166 lid 1 in samenhang met artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de schade die verband houdt met het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel. 2.2 De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat – mede gelet op de gronden die zijn vermeld in het vandaag uitgesproken arrest in de zaak 24/01181, ECLI:NL:HR:2025:1055, onder 3 – deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet verder te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden en dat die schade – door vererving – in aanmerking komt voor vergoeding aan de nabestaanden, zijnde de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] , de ouders van [benadeelde 1] . 3.2 Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/01181, ECLI:NL:HR:2025:1055, onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.