HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/00834 Datum 2 september 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2023, nummer 23-002750-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.G.M.C. Peters bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep. Het voert daartoe aan dat het hof ten onrechte niet in de volmacht tot het instellen van hoger beroep een grief als bedoeld in artikel 410 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft gelezen. 2.2.1 Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen: “Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.” 2.2.2 Bij de stukken bevinden zich: - een ‘Volmacht voor en verzoek tot instellen hoger beroep’ die onder meer inhoudt: “Daartoe bepaaldelijk door cliënt gevolmachtigd, geef ik hierbij een schriftelijke bijzondere volmacht aan u, griffiemedewerker, om namens cliënt hoger beroep in te stellen omdat hij het niet eens is met veroordeling in de zaak met het parketnummer 13-207596-19 (...) Hoogachtend, (handtekening) B.G.M.C. Peters (advocaat).” - een ‘Dagvaarding van verdachte in hoger beroep (Kopie raadsman)’ waarop staat vermeld: “Uw cliënt is gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat geen grieven zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld zal de zaak van uw cliënt op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenoemde ROLZITTING. Deze zitting is bedoeld om u en/of uw cliënt in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarna de behandeling van de strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen op te geven. U en/of uw cliënt zijn immers reeds in de gelegenheid gesteld om onderzoekwensen op te geven van welke mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. De behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld. Indien u of uw cliënt niet verschijnt en ook niet voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, dan dient u er rekening mee te houden dat het hof uw cliënt, conform artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk verklaart in het door of namens uw cliënt ingestelde hoger beroep. Indien u voorafgaand aan de zitting uw bezwaren opgeeft en er voor kiest om niet ter zitting te verschijnen, is het verzoek om tevens uw verhinderdata op te geven, opdat de strafzaak kan worden aangehouden tot een nadere datum. Opgave van verhinderdata vanaf 4 weken tot 21 weken na de datum van de ROLZITTING is afdoende.” 2.2.3 Het onderschrift bij de dagvaarding voor de rolzitting, zoals weergegeven onder 2.2.2, houdt onder meer in dat het hof ervan uitgaat dat “geen grieven zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld” en dat aan de verdediging de mogelijkheid wordt geboden alsnog schriftelijk voorafgaand aan de rolzitting of mondeling op die rolzitting bezwaren op te geven. Door of namens de verdachte is daarvan geen gebruik gemaakt. 2.3 De volgende bepalingen zijn van belang: - artikel 410 lid 1 Sv: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.