HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04658 Datum 2 september 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2022, nummer 21-002158-18, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst onder 8 genoemde voorwerp, tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beoordeling van het derde cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof dat de op de beslaglijst omschreven inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken worden verklaard. 3.2 Het cassatiemiddel slaagt met betrekking tot het op de beslaglijst onder 8 omschreven voorwerp “1 STK Overige goederen fragment AAJJ3131NL” en het cassatiemiddel faalt voor zover het betrekking heeft op de overige op de beslaglijst omschreven inbeslaggenomen voorwerpen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5. 4Beoordeling van het vierde cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 4.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. 5Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft (i) de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst onder 8 omschreven inbeslaggenomen voorwerp “1 STK Overige goederen fragment AAJJ3131NL” en (ii) het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis; - vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 90 uren beloopt, subsidiair 45 dagen hechtenis; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.