ECLI:NL:HR:2025:1278
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/01234 Datum 16 september 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2023, nummer 22-003363-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verbalisant bij de staandehouding van de verdachte niet in de rechtmatige uitoefening van zijn functie heeft gehandeld.
Het oordeel van het hof 2.2.1 Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. In dat vonnis is overeenkomstig de tenlastelegging ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 26 juni 2021 te [plaats] , zich met geweld heeft verzet tegen een [verbalisant 1] , hoofdagent bij politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding van verdachte voor overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet, door
2.2.2 Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende in het bevestigde vonnis opgenomen bewijsmiddelen, zoals aangevuld door het hof: “2. Het proces-verbaal van bevindingen, (...), van politie-eenheid Rotterdam, Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als relaas van de [verbalisant 2] : “Op 26 juni 2021 reed ik samen met [verbalisant 1] op [a-straat] in [plaats] . Ik zag een Seat rijden. Ik herkende de bestuurder ambtshalve als zijnde: [verdachte] . Op donderdag 22 april 2021 kreeg ik een ANPR-HIT dat verdachte zou rijden terwijl hij een rijontzegging had. [verdachte] is niet in het bezit van een rijbewijs en heeft meerdere antecedenten voor het rijden zonder rijbewijs.
Op zaterdag 26 juni 2021 omstreeks 17.25 uur, zag ik dat het voertuig op [a-straat] in [plaats] werd geparkeerd. Collega [verbalisant 1] , bevraagde het kenteken middels het politie-systeem MEOS. Ik zag op MEOS, BLUESPOT een politiefoto van [verdachte] . De politiefoto kwam overeen met de bestuurder in het voertuig. Nadat [verdachte] zijn voertuig tot stilstand bracht, benaderde ik hem.
Gelet op het feit dat [verdachte] telkens rijdt zonder een rijbewijs, deelde ik hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was op de vragen die ik hem zou stellen. Ik vorderde van [verdachte] een geldig identiteitsbewijs. Ik zag dat het voertuig achteruitreed. Ik zag vervolgens dat het voertuig in de richting reed van collega [verbalisant 1] . Ik zag dat [verbalisant 1] aan de bestuurderszijde hing terwijl het voertuig reed. Ik zag vervolgens mijn collega rollen over de grond. Na een korte achtervolging wist ik bij [verdachte] te komen. Ik vertelde dat hij was aangehouden. Ik zag vervolgens collega [verbalisant 1] mij helpen met de aanhouding. Vervolgens kwamen meerdere collega’s ter plaatse.”
2.2.3 In het door het hof bevestigde vonnis is over de bewezenverklaring verder overwogen: “2.1. Bewijswaardering 2.1.1.
Standpunt verdediging (...) Voorts is aangevoerd dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, omdat [verbalisant 1] bij het hanteren van het vuurwapen in strijd heeft gehandeld met de ambtsinstructie. Ook dit moet tot vrijspraak leiden. (...) 2.1.2.
Beoordeling (...) Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte door de verbalisanten is benaderd in verband met overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet, hij had namelijk een rijontzegging en overigens ook geen rijbewijs. [verbalisant 2] heeft daarover vragen gesteld aan de verdachte en vervolgens een geldig identiteitsbewijs gevorderd van de verdachte. Daarna is aan de verdachte verteld dat hij zou worden bekeurd en dat zijn voertuig in beslag werd genomen. Hierin ligt besloten dat de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hem feitelijk op dat moment staande hielden en werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Voor zover [verbalisant 1] in strijd met de Ambtsinstructie heeft gehandeld, kan dit niet tot vrijspraak leiden, omdat dit niet afdoet aan de bewezenverklaring. Niet is aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. (...) De verweren worden verworpen.”
2.2.4 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “1. Primair verzoek ik uw gerechtshof cliënt vrij te spreken. (...) 11. Evident is dat [verbalisant 1] verklaart dat hij wel meerdere vuistslagen toedient en ook het dienstwapen hanteert, dat past niet bij zijn antwoord op de vraag waarom hij niet kon loslaten, dat hij vast zat of door overstrekking. Naar mening van de verdediging had hij los kunnen laten maar doet hij dat bewust niet. Het is niet zo dat hij vastzat waardoor hij werd meegenomen. In bijlage 3 (...) wordt zelfs gesteld dat [verbalisant 1] over 30 meter zou zijn meegesleurd.
Juridisch kader 2.3.1 De tenlastelegging is toegesneden op artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
Artikel 180 Sr luidt: “Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (...) wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.3.2 Artikel 359a leden 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt: “1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat: a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd; b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit; c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
2.3.3 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn verder van belang artikel 7 (oud) en 10 (oud) van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere politieambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie), zoals deze bepalingen zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16.
2.4.1 In eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad het volgende beslist over het bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, zoals dat voorkomt in artikel 180 Sr. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de ambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van een wettelijke bevoegdheid, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (vgl. HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:852). Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de subsidiariteit en proportionaliteit van het betreffende overheidsoptreden betrekken (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919).
2.4.2 Ter verduidelijking voegt de Hoge Raad daaraan nog het volgende toe. Achtergrond van het onder 2.4.1 bedoelde uitgangspunt over de (veronderstelde) rechtmatigheid van de bediening is dat de strafbaarstelling van artikel 180 Sr ertoe strekt het openbaar gezag te beschermen opdat ambtenaren onbelemmerd hun taak kunnen uitvoeren. In het licht daarvan moet worden aangenomen dat niet elke normschending, bij het optreden van de ambtenaar aan een bewezenverklaring van een op artikel 180 Sr toegesneden tenlastelegging in de weg staat. Dat is alleen het geval als sprake is van een normschending van een zekere ernst. Zo’n ernstige normschending kan zich bijvoorbeeld voordoen als de grenzen van de subsidiariteit of de proportionaliteit van het betreffende overheidsoptreden in belangrijke mate zijn overschreden.
2.4.3 Heeft zich weliswaar een normschending voorgedaan bij het optreden van de ambtenaar, maar is die normschending niet van zodanige ernst dat dit – gelet op wat onder 2.4.2 is overwogen – aan een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ in de weg staat, dan kan wel sprake zijn van een (onherstelbaar) vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. In het geval dat naar het oordeel van de rechter sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, kan zo’n verzuim in de hier bedoelde situatie – als wordt voldaan aan de vereisten die zijn genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.3 – leiden tot strafvermindering.
Het oordeel van de Hoge Raad 2.5.1 De verdediging heeft een verweer gevoerd dat ertoe strekt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat – kort gezegd – de verbalisant tegen de verdachte geweld heeft toegepast, terwijl daarbij gelet op de Ambtsinstructie niet was voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof heeft dit verweer verworpen. Daaraan heeft het hof kennelijk als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het eventuele handelen van de verbalisant in strijd met de Ambtsinstructie niet met zich brengt dat de verbalisant met de staandehouding niet “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was. Dat oordeel is, gelet op wat onder 2.4.2 is overwogen, onjuist. Het hof heeft immers miskend dat het niet-voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit bij de uitvoering van een staandehouding aan de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ als bedoeld in artikel 180 Sr in de weg kan staan.
2.5.2 Hieraan doet niet af dat het hof bij zijn oordeel heeft betrokken dat de verdediging niet heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Anders dan het hof kennelijk als uitgangspunt heeft genomen, is voor de vraag of dit bestanddeel van artikel 180 Sr kan worden bewezenverklaard, niet van belang of de verdediging heeft aangevoerd dat het optreden van de verbalisant moet worden aangemerkt als vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
2.6 Het cassatiemiddel slaagt.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4Beslissing De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2025.