HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00121 W Datum 28 januari 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2023, nummer 13/083009-23, omtrent een verzoek van Canada tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen [veroordeelde] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de veroordeelde. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze hebben R. Malewicz en S.J. Linck, beiden advocaat in Amsterdam, en F.H. van der Pol, advocaat in Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadslieden van de veroordeelde hebben daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in deze procedure niet van toepassing is. 2.2 In de conclusie van de advocaat-generaal is onder 3 weergegeven waar het in deze zaak om gaat: “De veroordeelde is op 13 januari 2014 aangehouden in een Nederlandse strafzaak wegens verdenking van onder meer het op grote schaal afpersen van minderjarige meisjes via het internet met seksueel getinte webcambeelden. Een van die slachtoffers betrof de Canadese [slachtoffer] , die een filmpje op YouTube plaatste waarin ze haar verhaal deed, kort voordat zij op vijftienjarige leeftijd een einde aan haar leven maakte. De veroordeelde is op 17 april 2015 in Canada aangeklaagd en uiteindelijk in 2020 door Nederland uitgeleverd aan Canada voor de vervolging en berechting voor de feiten aangaande [slachtoffer] , onder de voorwaarde dat de in Canada opgelegde straf in Nederland ten uitvoer zou worden gelegd. Voor de overige feiten is de veroordeelde in Nederland vervolgd en uiteindelijk bij arrest van 14 december 2018 door het gerechtshof Amsterdam onherroepelijk veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf van tien jaren en 243 dagen. Vervolgens is de veroordeelde op 14 oktober 2022 in de Canadese strafzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren. Hierna is aan de Nederlandse autoriteiten het verzoek gedaan tot overname van de tenuitvoerlegging van de strafoplegging. In dat kader heeft de officier van justitie op 2 mei 2023 gevorderd dat de rechtbank daartoe verlof verleent tot tenuitvoerlegging.” 2.3 De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in: “4.3 Standpunt van de verdediging Primair: toepassing van artikel 9a Sr De samenloopregeling van artikel 57 Sr is van toepassing ten aanzien van de feiten waarop het Canadese vonnis ziet. Deze bepaling is gelet op artikel 63 Sr ook van toepassing op de samenloop van de feiten waarop het Canadese vonnis ziet met de feiten waarvoor veroordeelde in Nederland is berecht. De feiten waarvoor veroordeelde in Canada is berecht, zijn namelijk gepleegd voordat het gerechtshof Amsterdam op 14 december 2018 vonnis heeft gewezen in de Nederlandse strafzaak en hadden dus in die zaak kunnen worden meegenomen. Voor zover in jurisprudentie is bepaald dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in een omzettingsprocedure gaat dat niet op in deze zaak. Die jurisprudentie ziet op buitenlandse vonnissen, waarmee rekening zou moeten worden gehouden. In deze zaak gaat het echter om een Nederlandse veroordeling, waarmee rekening moet worden gehouden. Van belang is verder dat het gelet op de gelijksoortigheid van de feiten en het beschikbare bewijs volkomen logisch was geweest om veroordeelde voor de feiten, die nu in Canada zijn berecht, ook in Nederland te berechten. De zaak tegen [slachtoffer] is kunstmatig losgekoppeld van de Nederlandse strafzaak. Dat mag niet tot gevolg hebben dat het bepaalde in artikel 57 Sr wordt omzeild. Artikel 63 Sr biedt daarvoor de oplossing omdat die bepaling juist is bedoeld om de omzeiling van artikel 57 Sr te voorkomen. De toepassing van artikel 63 Sr moet ertoe leiden dat de in Canada opgelegde vrijheidsstraf wordt omgezet naar een gevangenisstraf van 0 dagen. Het gerechtshof Amsterdam heeft in de Nederlandse strafzaak, rekening houdende met artikel 57 Sr, namelijk al de maximaal mogelijk op te leggen gevangenisstraf opgelegd. Gelet op de cumulatiebeperkingen die volgen uit de artikelen 57 en 63 Sr moet toepassing worden gegeven aan het rechterlijk pardon van artikel 9a Sr. (...) 4.4 Oordeel van de rechtbank Omzetting van de straf De rechtbank houdt bij de omzetting naar een Nederlandse straf om te beginnen rekening met de in Canada opgelegde straf en hoogte daarvan. Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechtbank verder in overweging dat de Nederlandse overheid er regelmatig en nadrukkelijk voor waarschuwt dat aan het plegen van strafbare feiten in het buitenland grote risico’s zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar worden opgelegd. Door zich in Canada aan voornoemde delicten schuldig te maken, althans de delicten te plegen ten aanzien van een slachtoffer in Canada, heeft veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland. Dit risico is voor zijn rekening. Strafmodaliteit en duur De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur. Gezien de bewezenverklaring gaat het om het tussen november 2009 en februari 2012 op verschillende sociale mediaplatforms door veroordeelde afpersen van [slachtoffer] , die pas twaalf jaar oud was, en haar verleiden tot het uitvoeren van pornografische camshows voor hem. Hij perste [slachtoffer] af door aanhoudende en intimiderende dreigementen dat hij afbeeldingen en video’s van haar zou verspreiden, wat hij deed toen zij weigerde aan zijn eisen te voldoen. Veroordeelde verspreidde kinderpornografisch materiaal waarin [slachtoffer] werd afgebeeld onder haar vrienden, familie en gemeenschap. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de overige omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, zoals vastgesteld in het Canadese vonnis. (...) De rechtbank heeft rekening gehouden met de straffen die in vergelijkbare zaken in Nederland worden opgelegd en die doorgaans lager zijn dan de in Canada aan veroordeelde opgelegde straf. De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in deze procedure nu zij niet komt tot een “schuldigverklaring aan een misdrijf of overtreding” in de zin van die bepaling, maar tot een omzetting van de Canadese straf naar een Nederlandse straf. Het verzoek van de raadsman om met toepassing van dit artikel rekening te houden met het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2018 wordt dus niet ingewilligd. De Canadese rechter heeft overigens de Nederlandse veroordeling wel bij zijn beoordeling betrokken. Met dit gegeven zal de rechtbank, bij het bepalen van een passend en geboden straf, dan ook rekening houden. Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar passend. De straf is aanzienlijk lager dan de in Canada opgelegde straf, omdat de rechtbank ook rekening heeft gehouden met de straffen die in Nederland in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor strafkorting vanwege de detentie(omstandigheden) in Canada. Daarom wijkt de rechtbank af van de vordering van de officier van justitie.” 2.4 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen van belang. - Artikel 9 leden 1 en 2 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP), in de Nederlandse vertaling: “Artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.