HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/01984 Datum 7 oktober 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 mei 2023, nummer 21-001034-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.H. Rump bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte rekening heeft gehouden met niet tenlastegelegde strafbare feiten. 2.2.1 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: “hij in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 31 juni 2016, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [A] B.V., welke vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Overijssel, op 11 mei 2016 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s), niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of tevoorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in die/dat artikel(en) bedoeld, immers heeft verdachte met dat opzet - niet een zodanige administratie gevoerd, althans laten voeren, en/of bewaard dat daaruit te alle tijde de rechten en de verplichtingen van die rechtspersoon konden worden gekend en/of - niet alle administratie van voornoemde rechtspersoon afgegeven en/of ter beschikking gesteld aan de curator.” 2.2.2 Daarvan is bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 april 2016 tot en met 31 juni 2016, in Nederland als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [A] B.V., welke vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Overijssel, op 11 mei 2016 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld, immers heeft verdachte met dat opzet - niet een zodanige administratie gevoerd, althans laten voeren, en bewaard dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van die rechtspersoon konden worden gekend en - niet alle administratie van voornoemde rechtspersoon afgegeven en ter beschikking gesteld aan de curator.” 2.2.3 Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden. De motivering van deze strafoplegging houdt in: “Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Hij stond geregistreerd als bestuurder van [A] B.V. en heeft verzaakt om een deugdelijke administratie te voeren en deze aan de curator te geven. Verdachte is kennelijk pas als directeur ingeschreven op het moment dat het bedrijf al in financiële problemen was, waardoor - zoals hij zelf zegt - de aansprakelijken buiten schot konden blijven. Daardoor heeft hij na faillissementverklaring van het bedrijf de curator bemoeilijkt om het faillissement voortvarend af te handelen. Hierdoor zijn de schuldeisers van het bedrijf in hun rechten verkort en met onbetaalde rekeningen achtergebleven. De schade is bijna een half miljoen. Verdachte heeft hiermee het vertrouwen geschaad dat een gezond economisch verkeer nodig heeft, namelijk dat rekeningen worden betaald en schulden worden voldaan en hij heeft hiermee de schuldeisers financieel geschaad. Verdachte heeft door zijn handelen er blijk van gegeven geen oog te hebben gehad voor de (financiële) belangen van anderen en de mogelijke financiële problemen waarin hij hen bracht door hoge openstaande schulden die niet meer konden worden geïnd. Wat bovendien heel ernstig in verdachtes nadeel meewerkt, is dat uit het procesdossier valt af te leiden dat verdachte zich veel vaker schuldig heeft gemaakt aan deze handelswijze, aangezien hij vaker als enig bestuurder stond geregistreerd bij bedrijven die kort daarna zijn ontbonden of failliet verklaard. Met andere woorden: er lijkt sprake te zijn van een delictpatroon waarbij verdachte telkens weer de rol van katvanger op zich neemt en daarmee welbewust - en kennelijk zonder enige gewetenswroeging of gevoelens van schaamte - een spoor van financieel gedupeerden achter zich laat. Het hof rekent verdachte dit alles zwaar aan. Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘bedrieglijke bankbreuk’ op grond van artikel 343 (oud) Sr. Op dit artikel stond een strafmaximum van 6 jaren. Op 1 juli 2016 is echter de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude ingevoerd waaruit een milder sanctieregime voortvloeit. De strafbaarstelling van het niet voldaan hebben of niet voldoen aan verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie blijft strafbaar, maar is sindsdien opgenomen in artikel 344a Sr, waarop een lagere straf, met een strafmaximum van 4 jaren staat. Het hof zal bij de strafbepaling uitgaan van dit wettelijke strafmaximum van 4 jaren, zoals opgenomen in artikel 344a, eerste lid, Sr. Het hof merkt op dat hier sprake is van een wetswijziging in de zin van artikel 1 lid 2 Sr, waarbij de nieuwe wet gunstiger voor verdachte is, maar dat het veranderd inzicht ten aanzien van de wettelijke strafmaat niets afdoet aan de strafwaardigheid van het feit zoals begaan door verdachte. Van gewijzigd inzicht ten aanzien van de strafwaardigheid van de tenlastegelegde gedragingen is geen sprake. Het hof houdt bij de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 maart 2023, waaruit volgt dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden om nogmaals de fout in te gaan. Het hof acht het uit het oogpunt van een consistente straftoemeting van belang dat wordt aangesloten bij straffen in soortgelijke gevallen. Daarbij neemt het hof de landelijke oriëntatiepunten voor fraude als uitgangspunt. Het totaalsaldo van de preferente en concurrente schuldeisers van [A] B.V. bedraagt € 466.518,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.