HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04278 Datum 24 oktober 2025 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 september 2023, nr. BK-22/00625, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/4293) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1Geding in cassatie De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.A.M. Kamps, heeft een verweerschrift ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende woonde in 2016 in Nederland. Hij is piloot en heeft in 2016 gewerkt voor een Ierse luchtvaartmaatschappij. De luchtvaartmaatschappij huurde belanghebbende in via een uitzendbureau (hierna: het uitzendbureau). 2.2 De diensten van belanghebbende werden aan het uitzendbureau ter beschikking gesteld door tussenkomst van achtereenvolgens [C] Limited (hierna: [C] ) en [D] Limited (hierna: [D] ). Dit zijn naar Iers recht opgerichte vennootschappen waarvan belanghebbende medeaandeelhouder was. 2.3 De luchtvaartmaatschappij, het uitzendbureau, [C] en [D] zijn geen van alle inhoudingsplichtig voor de loonbelasting in Nederland. 2.4 Uit daartoe van de luchtvaartmaatschappij ontvangen gelden, verrichtte het uitzendbureau in 2016 betalingen aan [C] en [D] die zijn gebaseerd op het aantal door belanghebbende gewerkte blokuren, op basis van een tarief van € 60 tot € 83 per gewerkt blokuur. Daarnaast betaalde het uitzendbureau aan [C] en [D] uit de door de luchtvaartmaatschappij daartoe ontvangen gelden onder bepaalde voorwaarden een ‘out of base allowance’ van € 20 per volledig gepland blokuur van belanghebbende. In 2016 hebben [C] en [D] ter zake van de werkzaamheden van belanghebbende tezamen een bedrag van € 64.274,76 ontvangen van het uitzendbureau. 2.5 [C] en [D] hebben in 2016 aan belanghebbende bedragen uitbetaald ter zake van zijn werkzaamheden als piloot. Zij hebben die bedragen deels aangemerkt als loon, en deels als kostenvergoeding onder de benaming ‘expenses’, op basis van door belanghebbende als kosten gedeclareerde bedragen. Het totaal van de ‘expenses’ die in 2016 door [C] en [D] aan belanghebbende zijn verstrekt, bedraagt € 38.586. 2.6 Belanghebbende heeft aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.516. Dat inkomen bestaat onder meer uit een belastbaar loon van € 21.150. Bij het belastbare loon zijn als werkgever [C] en [D] ingevuld. Bij de berekening van het aangegeven belastbare loon is belanghebbende ervan uitgegaan dat de aan hem door [C] en [D] onder de benaming ‘expenses’ betaalde bedragen fiscaal vrijgestelde vergoedingen vormen. 2.7 De Inspecteur is op dit punt van de aangifte afgeweken. Hij heeft de bedragen die aan belanghebbende onder de benaming ‘expenses’ zijn uitbetaald, grotendeels tot het loon gerekend. 3De oordelen van het Hof 3.1 Voor het Hof was in geschil of bedragen die belanghebbende van [C] en [D] heeft ontvangen onder de benaming ‘expenses’, belastbaar zijn als loon. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur een compromisvoorstel gedaan, inhoudende dat een totaalbedrag van € 7.700 als gerichte vrijstelling wordt aangemerkt ter zake van de kosten woon-werkverkeer, reiskosten om vluchten vanaf een ander vliegveld uit te voeren, en reiskosten in het buitenland. De Inspecteur heeft zich bereid verklaard dit voorstel als nader standpunt in te nemen voor het geval belanghebbende niet slaagt in zijn bewijslast dat meer kosten dan € 7.700 zijn aan te merken als gerichte vrijstellingen. 3.2 Het Hof heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbendes werkgever geen inhoudingsplichtige is als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964). Volgens het Hof kan in het midden blijven welke buitenlandse vennootschap fiscaalrechtelijk moet worden aangemerkt als belanghebbendes werkgever (de luchtvaartmaatschappij, het uitzendbureau of de Ierse vennootschappen). 3.3 Het Hof heeft het betoog van de Inspecteur aldus weergegeven dat in dit geval niet is voldaan aan drie voorwaarden die moeten worden vervuld, wil sprake zijn van kostenvergoedingen waarop gerichte vrijstellingen kunnen worden toegepast: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.