HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02178 Datum 21 november 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2023, nrs. 22/00085 tot en met 22/00091, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2015 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de premieheffing Zorgverzekeringswet, de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffings- en belastingrente, en de bij de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gegeven boetebeschikkingen. 1Het eerste geding in cassatie Bij arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:84, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, nrs. BK-19/00617 tot en met BK-19/00620, BK-19/00640, BK-19/00641, en BK 20/00462, voor zover deze betrekking heeft op de hiervoor vermelde aanslagen en beschikkingen, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. 2Het tweede geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 3Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure 4.1 In lijn met zijn rechtspraak over de redelijke termijn in eerste cassatieprocedures, en anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 29 september 2017, ECLI:NLHR:2017:2517, is beslist, neemt de Hoge Raad aan dat ook in geval van een tweede cassatieprocedure de in aanmerking te nemen termijn begint op het tijdstip waarop het tweede beroep in cassatie wordt ingesteld. Die termijn bedraagt een jaar indien het gaat om een tweede cassatieprocedure in dezelfde zaak. 4.2 In deze zaak, waarin het gaat om een tweede cassatieprocedure in dezelfde zaak, heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld op 21 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.