← Nederland

ECLI:NL:HR:2025:1789

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00719 Bv Datum 9 december 2025 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025, nummer RK 24/027517, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de klager. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan. De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag De Hoge Raad is van oordeel dat het beklag ontvankelijk is. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00813 Bv, ECLI:NL:HR:2025:1788, onder 4. 3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de rechtbank heeft nagelaten gemotiveerd te beslissen op wat namens de klager is aangevoerd over de doorbreking van het verschoningsrecht. Het voert daartoe aan dat het klaagschrift inhoudt dat in de geluidsfragmenten ook namen van andere cliënten van het advocatenkantoor van de klager worden genoemd dan de cliënt [betrokkene 1] . 3.2 Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00813 Bv, ECLI:NL:HR:2025:1788, onder 5, en die betrekking heeft op een in de kern gelijkluidend beklag van een voormalig advocaat die een kantoorgenoot van de klager was. 4Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige De beoordeling door de Hoge Raad van het eerste cassatiemiddel en de overige klachten van het tweede cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het derde cassatiemiddel niet nodig. 5Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van de rechtbank; - wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan. Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.