HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/02649 Datum 28 november 2025 ARREST in de zaak van [X1] en [X2] (hierna: belanghebbenden) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, nrs. BK-ARN 23/108 en 23/109, op de hoger beroepen van belanghebbenden tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 22/1000 en AWB 22/1001) betreffende een door belanghebbenden op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. 1Geding in cassatie Belanghebbenden, vertegenwoordigd door B.L. Adams, hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 februari 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Een projectontwikkelaar heeft in 2018 een onroerende zaak gekocht. De onroerende zaak bestond uit een perceel grond met daarop een woning (hierna: de woning), carport, tuin, diverse schuren, overkappingen, stallen, garage, verhard terras, zwembad en vijver. 2.2 Het perceel is vervolgens kadastraal gesplitst in acht bouwkavels en één perceel (perceel [0001] ) onder meer voor de aanleg van een nieuwe openbare weg ter ontsluiting van de bouwkavels. Na de verkaveling stond de woning deels (bijna 45 procent) op perceel [0001] en voor het overige op twee van de acht bouwkavels: bijna 55 procent van de woning op perceel [0002] (kavel 1) en ongeveer 1 procent van de woning (een deel van de buitenmuur) plus een deel van het verharde terras op perceel [0003] (kavel 2). De situatie is als volgt weer te geven. 2.3 Belanghebbenden hebben met de projectontwikkelaar een koop-aannemingsovereenkomst gesloten waarbij zij kavel 1 (perceel [0002] ) hebben verworven en een aannemingsovereenkomst zijn aangegaan voor de bouw op die kavel van een nieuwe twee-onder-één-kapwoning. Kavel 1 is op 9 september 2020 overgedragen aan belanghebbenden. Daarna is de woning met aanhorigheden gesloopt en is een aanvang gemaakt met de bouw van de nieuwe twee-onder-één-kapwoning. 2.4 Ter zake van de verkrijging van kavel 1 hebben belanghebbenden een bedrag van € 15.693 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan naar een tarief van 6 procent. Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt en beroep ingesteld, met als grond dat zij een woning hebben verkregen en dat daarom 2 procent overdrachtsbelasting is verschuldigd. 3De oordelen van het Hof 3.1 Voor het Hof was in geschil of belanghebbenden een woning hadden verkregen in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2020; hierna: de Wet BRV) zodat op de verkrijging het tarief van 2 procent van toepassing is. 3.2 Volgens het Hof is het de bedoeling van de wetgever geweest om per verkregen perceel te beoordelen of een woning wordt verkregen. Dat brengt volgens het Hof mee dat moet worden vastgesteld of binnen de kadastrale eigendomsgrens van kavel 1 een bouwwerk is verkregen dat naar zijn aard tot woning is bestemd. Volgens het Hof is het deel van de woning dat zich binnen de kadastrale eigendomsgrens van kavel 1 bevindt, op zichzelf niet voor bewoning bestemd of geschikt, en ook niet met beperkte aanpassingen geschikt te maken voor bewoning. Het Hof heeft daarom geoordeeld dat belanghebbenden geen woning in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet BRV hebben verkregen, zodat terecht een tarief van 6 procent is gehanteerd. 4Beoordeling van het middel 4.1 Het middel klaagt over het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Anders dan het Hof heeft geoordeeld is alleen relevant dat de opstal, waaronder het verkregen deel van 55 procent, op basis van de bouwkundige kenmerken kan worden aangemerkt als woning, zodat ten onrechte een tarief van 6 procent is gehanteerd, aldus het middel. 4.2.1 Artikel 2, lid 1, van de Wet BRV bepaalt dat overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Overdrachtsbelasting wordt mede geheven ter zake van de verkrijging van een onverdeeld aandeel in dergelijke zaken en rechten. De Wet op belastingen van rechtsverkeer bevat geen eigen omschrijving van het begrip ‘onroerende zaken’, zodat volgens de wetsgeschiedenis daarvoor te rade moet worden gegaan bij het burgerlijke recht. 4.2.2 Artikel 14, leden 2 en 6, van de Wet BRV bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, voor het verkrijgen van een woning en aanhorigheden daarvan het lagere tarief van 2 procent geldt. Onder het verkrijgen van een woning en aanhorigheden in de zin van deze bepaling moet mede worden verstaan het verkrijgen van een onverdeeld aandeel daarin. 4.2.3 In een geval als dit, waarin een gebouw op percelen van verschillende grondeigenaren staat en iemand een van die percelen verkrijgt, brengt wat hiervoor in 4.2.1 is overwogen, mee dat voor de heffing van overdrachtsbelasting ter zake van die verkrijging naar civielrechtelijke maatstaven moet worden beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre hij daarmee ook de eigendom van het gebouw heeft verkregen. 4.2.4 Op grond van artikel 5:20, lid 1, letter e, BW is de eigenaar van de grond ook eigenaar van de duurzaam met die grond verenigde gebouwen (verticale natrekking), tenzij die gebouwen bestanddeel zijn van de onroerende zaak van een ander (horizontale natrekking). Dat laatste kan het geval zijn door de werking van artikel 5:3 BW. Op grond van die bepaling is de eigenaar van een onroerende zaak als regel eigenaar van alle bestanddelen van die zaak, ook als het gaat om bestanddelen die op grond van een ander staan. Volgens artikel 3:4 BW zijn bestanddelen van een zaak (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.