HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/01646 Datum 9 december 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2023, nummer 23-002742-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep niet gericht tegen “de (partiële) vrijspraken en de overige voor verdachte gunstige beslissingen van het Gerechtshof Amsterdam”. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde taakstraf en de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen. Het voert daartoe onder meer aan dat het oordeel van het hof dat de hypothecaire geldlening van € 450.000 is verkregen door het gebruik van een valse werkgeversverklaring en valse arbeidsovereenkomsten, ontoereikend is gemotiveerd en ook niet verenigbaar is met de onherroepelijke vrijspraak door de rechtbank van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting. 2.2.1 In eerste aanleg is aan de verdachte tenlastegelegd – kort gezegd – onder 1 ‘medeplegen van gewoontewitwassen’, onder 2 als eerste ‘oplichting’ en als tweede ‘medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd’ en onder 3 ‘valsheid in geschrift’. De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor het onder 1, onder 2 als tweede en onder 3 tenlastegelegde. 2.2.2 Over de vrijspraak van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting heeft de rechtbank onder meer overwogen: “Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte - kort gezegd - als oplichting ten laste is gelegd, zodat hij van het primair alternatief cumulatief tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer iemand met het oogmerk om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, een ander beweegt tot afgifte van enig goed. Wil er in juridische zin sprake van oplichting zijn, dan moet dus door één of meer van de hiervoor genoemde vier middelen iemand worden bewogen tot afgifte van een goed, in het onderhavige geval de verstrekking van een hypotheek. Tussen de afgifte van het goed en de hiervoor genoemde middelen moet een rechtstreeks verband bestaan. Met andere woorden, men moet door één of meer van die middelen ook daadwerkelijk zijn overgehaald het goed af te geven. Het is aan de rechtbank te toetsen of de verdachte door toepassing van enig hiervoor genoemd middel de in de tenlastelegging genoemde personen heeft bewogen tot afgifte. In het dossier ontbreekt een aangifte van [A] N.V. en [B] . Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende vaststaan of en zo ja in hoeverre [A] N.V. en [B] door verdachte en zijn medeverdachte zijn bewogen tot de verstrekking van een hypotheek. Verdachte dient derhalve voor dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.” 2.2.3 Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting. 2.2.4 In hoger beroep is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat: “hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 4 april 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader geldbedragen tot een totaal van € 279.805,-, en een deel van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] en een deel van de percelen aan de [b-straat 1] te [plaats] , verworven en/of voorhanden gehad en/of gebruik gemaakt van voornoemde geldbedragen, terwijl hij en zijn mededader telkens wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.” 2.2.5 Het hof heeft over de in 2.2.4 weergegeven bewezenverklaring onder meer overwogen: “1.1 Inleiding [medeverdachte] heeft in 2005 voor een bedrag van € 750.000,- een woonboerderij aan de [a-straat 1] te [plaats] gekocht. Zij heeft de koopovereenkomst op 15 februari 2005 gesloten en het pand is op 15 december 2005 aan [medeverdachte] geleverd. [verdachte] en [medeverdachte] hebben samen op 15 december 2005 bij [A] NV (in de offerte aangeduid onder de handelsnaam: [B] ) een hypothecaire lening afgesloten van € 450.000,-. Voor de aanvraag van de lening is gebruik gemaakt van twee arbeidsovereenkomsten van [medeverdachte] bij [C] en een werkgeversverklaring van [D] B.V., eveneens betreffende [medeverdachte] . 1.2 Arbeidsovereenkomsten De arbeidsovereenkomsten met [C] dateren van onderscheidenlijk 1 september 2004 (arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) en 1 januari 2005 (arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) en vermelden dat [medeverdachte] per 1 september 2004 als bedrijfsleider € 1.252,80 bruto gaat verdienen bij een 32-urige werkweek, respectievelijk per 1 januari 2005 in dezelfde functie € 6.139,72 bruto bij een 40-urige werkweek. In deze arbeidsovereenkomsten is vermeld dat de werkgever wordt vertegenwoordigd door [betrokkene 1] . [betrokkene 1] stond destijds als gevolmachtigd directeur van [D] B.V. (met handelsnaam [C] ) vermeld in het handelsregister van de kamer van koophandel. Deze [betrokkene 1] heeft zowel tegenover de politie op 7 april 2011 als bij de raadsheer-commissaris op 19 november 2019 verklaard dat de handtekeningen op de arbeidsovereenkomsten niet van hem zijn. Dat de handtekeningen door de vader van [betrokkene 1] - de inmiddels overleden [betrokkene 2] - zouden zijn geplaatst, is niet aannemelijk en ook niet relevant, nu niet van zijn betrokkenheid of bevoegdheid bij [C] is gebleken. Dit leidt tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomsten valselijk zijn opgemaakt zoals ten laste is gelegd, nu daarin in strijd met de waarheid is vermeld dat deze zijn ondertekend door [betrokkene 1] . 1.3 Werkgeversverklaring Naast deze valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomsten is ten behoeve van de aanvraag van de hypothecaire geldlening ook een op 17 oktober 2005 ondertekende werkgeversverklaring betreffende [medeverdachte] van [D] B.V. overgelegd. Volgens die verklaring zou [medeverdachte] sinds 1 september 2004 als manager in vaste dienst zijn van [D] B.V. De werkgeversverklaring is namens [D] B.V. ondertekend door [betrokkene 3] , de schoondochter van [verdachte] en [medeverdachte] . In haar verklaring bij de politie op 6 april 2011 heeft [betrokkene 3] gezegd niet bij [D] B.V. te hebben gewerkt en dit bedrijf niet te kennen. Zij kan zich ook niet herinneren namens [D] B.V. een handtekening op een werkgeversverklaring te hebben geplaatst, maar het zou wel kunnen. Bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 11 november 2013 heeft [betrokkene 3] vervolgens verklaard het bedrijf wel te kennen en zich daar met personeelszaken te hebben bezig gehouden, 2 of 3 weken voordat zij bij [F] aan de slag kon. Deze laatste verklaring is ongeloofwaardig in het licht van haar eerdere, haaks daarop staande verklaring bij de politie. Bovendien is [betrokkene 3] blijkens informatie van de belastingdienst pas in 2006 bij [F] begonnen, derhalve meer dan 2 maanden (en niet 2 of 3 weken) na haar gestelde werkzaamheden bij [D] B.V. Dat [betrokkene 3] zich door de politie overvallen voelde, brengt nog niet mee dat daarom niet van de juistheid van haar toen afgelegde verklaring kan worden uitgegaan. Daarbij komt nog dat [medeverdachte] in haar verklaring bij de politie op 7 april 2011 heeft gezegd dat [betrokkene 3] nooit officieel voor [C] heeft gewerkt, dat zij daar wel eens onbetaald in de garderobe hielp en dat zij (ook) niet bij [D] heeft gewerkt. Gelet op het voorgaande is ook de werkgeversverklaring valselijk opgemaakt, nu [betrokkene 3] niet bij [D] heeft gewerkt en derhalve niet in hoedanigheid van werknemer van/namens dit bedrijf heeft kunnen tekenen. 1.4 Medeplegen [medeverdachte] en [verdachte] hebben beiden op 21 november 2005 de hypotheekofferte van [B] getekend, die heeft geleid tot de aan hen verstrekte hypothecaire lening. Ten behoeve van de hypotheekaanvraag zijn voornoemde valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomsten en werkgeversverklaring overgelegd. Deze stukken zijn op 11 november 2005 onder de noemer ‘aanvraag hypotheekofferte tnv [betrokkene 2] ’ door de financieel adviseur [E] doorgezonden naar [B] (onderdeel van [A] ). (...) 2.3 Redelijk vermoeden [verdachte] en [medeverdachte] zijn op 5 november 1982 gehuwd, hebben samen zes kinderen en staan ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats] . Zij voeren een gemeenschappelijke huishouding. Dat met ingang van 25 januari 2006 huwelijkse voorwaarden tussen hen zijn opgemaakt, met uitsluiting van gemeenschap van goederen, maakt dat niet anders, gezien ook artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden, waarin de gemeenschappelijke huishouding is opgenomen. Uit informatie van de belastingdienst is gebleken dat van [verdachte] in de periode van 2005 tot en met 2008 geen loongegevens bekend zijn. In verband met zijn detentie in de periode van 11 september 2002 tot en met 17 januari 2005 kan [verdachte] ook gedurende deze periode geen inkomsten hebben gehad. In 2009 had hij een brutojaarloon van € 8.707 van [H] en [I] BV. Uit de rekeninggegevens van [rekeningnummer 2] is gebleken dat hij vanaf februari 2009 maandelijks salaris ontving van [H] en [I] B.V. ter hoogte van € 617 tot € 623 per maand. [medeverdachte] ontving in 2005 een brutoloon van € 73.132 van [D] B.V. Voor de periode van 2006 tot en met 2009 zijn van haar geen loongegevens bekend. Uit de rekeninggegevens van rekeningnummer 63.28.755 is gebleken dat [medeverdachte] in de periode van 7 april 2005 tot en met 23 februari 2006 maandelijks € 3.600 aan salaris ontving van [G] B.V. Daarnaast ontving zij in de onderzoeksperiode kinderbijslag/toeslag van in totaal € 16.902,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.