HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02312 Datum 19 december 2025 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 april 2023, nr. BK-22/00539, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/3599) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De belanghebbende, vertegenwoordigd door N. Idrissi, heeft een verweerschrift ingediend. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende drijft met ingang van 1 januari 2016 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Hij heeft over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018, ondanks een uitnodiging daartoe, geen aangifte voor de omzetbelasting gedaan. Aan belanghebbende is daarom, met dagtekening 26 februari 2019, over dat tijdvak een naheffingsaanslag in de omzetbelasting naar een geschat bedrag opgelegd (een zogenoemde systeemaanslag). 2.2 Op 10 mei 2019 heeft belanghebbende aan de Inspecteur een ingevuld aangiftebiljet voor het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 (hierna: het aangiftebiljet) overgelegd. Daarop is een substantieel bedrag aan verschuldigde omzetbelasting vermeld en een iets hoger bedrag aan aftrekbare omzetbelasting (voorbelasting). Volgens deze gegevens resulteerde dat in een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De Inspecteur heeft de systeemaanslag ambtshalvevernietigd en belanghebbende gevraagd om een specificatie van de in het aangiftebiljet vermelde voorbelasting en om overlegging van de kopieën van de facturen waarop die omzetbelasting aan belanghebbende in rekening is gebracht. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. 2.3 De Inspecteur heeft op 25 juli 2019 de in geding zijnde naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is het in het aangiftebiljet vermelde bedrag aan verschuldigde omzetbelasting nageheven en is geen rekening gehouden met het in het aangiftebiljet vermelde bedrag aan aftrekbare belasting. Tijdens de bezwaarprocedure tegen deze naheffingsaanslag heeft belanghebbende de grootboekkaart 2018 en een aantal facturen overgelegd. De Inspecteur heeft vervolgens belanghebbende vragen gesteld over de prestaties waarop die facturen zien en over de rechtsbetrekking met de opsteller van die facturen. Belanghebbende heeft gereageerd op deze vragen waaronder vragen die betrekking hadden op vijf, door een besloten vennootschap (hierna: de BV) opgestelde facturen. Op die facturen zijn de door de BV aan belanghebbende verrichte prestaties omschreven als “Verrichte werkzaamheden [maand]”. Belanghebbende heeft toegelicht dat deze vijf facturen betrekking hebben op een samenwerkingsovereenkomst tussen hem en de BV. 2.4 In de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur meegedeeld dat hij een bedrag aan voorbelasting in aftrek zal toestaan, maar dat onder meer de omzetbelasting die op de hiervoor in 2.3 bedoelde vijf facturen (hierna: de vijf facturen) is vermeld, niet voor aftrek in aanmerking komt. Uit de daarover door belanghebbende verstrekte informatie is volgens de Inspecteur niet duidelijk geworden welke prestaties de opsteller van de facturen heeft verricht, en evenmin zijn op basis van die informatie de prestaties op die facturen te herleiden naar de door belanghebbende overgelegde samenwerkingsovereenkomst. 2.5 Na deze vooraankondiging heeft de Inspecteur belanghebbende de gelegenheid gegeven nadere stukken te verstrekken. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Hij heeft de naheffingsaanslag verminderd, maar daarbij het standpunt gehandhaafd dat de op de vijf facturen vermelde omzetbelasting niet voor aftrek in aanmerking komt. 3De oordelen van het Hof 3.1 Voor het Hof was enkel in geschil of de naheffingsaanslag verder moet worden verminderd omdat belanghebbende op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die is vermeld op de vijf facturen. Het Hof heeft bij de behandeling van dat geschil tot uitgangspunt genomen dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat hij terecht en tot het juiste bedrag de op de vijf facturen vermelde omzetbelasting in aftrek heeft gebracht. 3.2 De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de op de vijf facturen vermelde omzetbelasting. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrij algemene stelling van belanghebbende over de zeer algemene omschrijving op de vijf facturen en de eerder in de procedure gegeven, onsamenhangende toelichting van belanghebbende niet kunnen dienen als bewijs ter onderbouwing van het aftrekrecht. Omdat een duidelijke toelichting, onderbouwd met stukken, op de samenwerking en de afspraken met de BV ontbreekt, kan volgens de Inspecteur niet worden aangenomen dat aan de facturen daadwerkelijk prestaties van de BV jegens belanghebbende ten grondslag liggen en evenmin dat belanghebbende die prestaties heeft gebruikt voor zijn eigen belaste prestaties. De Inspecteur heeft erop gewezen dat belanghebbende over het onderhavige tijdvak niet de vereiste aangifte voor de omzetbelasting heeft gedaan en dat dit op grond van artikel 27e, lid 1, AWR en artikel 27h, lid 2, AWR ertoe leidt dat op belanghebbende de verzwaarde bewijslast rust en hij moet doen blijken in hoeverre de hiervoor in 2.5 bedoelde, bij uitspraak op bezwaar nader vastgestelde naheffingsaanslag onjuist is. 3.3 Het Hof heeft uit punt 42 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2016, Barlis 06 – Investementos Imobiliários e Turísticos SA, C-516/14, ECLI:EU:C:2016:690 (hierna: het arrest Barlis), afgeleid dat de Inspecteur zich in dit geval niet op omkering van de bewijslast kan beroepen en dat belanghebbende niet overtuigend hoeft aan te tonen dat hij recht heeft op aftrek van de in geschil zijnde bedragen. Naar het oordeel van het Hof is aan de materiële voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek voldaan en heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van de op de vijf facturen vermelde bedragen aan omzetbelasting. 4Beoordeling van het middel 4.1 Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het Hof is volgens het middel ten onrechte eraan voorbijgegaan dat in dit geval met betrekking tot de bewijslevering de in artikel 25, lid 3, AWR en artikel 27e, lid 1, AWR voorziene regeling geldt, hetgeen voor de belastingplichtige een verzwaarde bewijslast betekent wanneer vaststaat dat hij niet de vereiste belastingaangifte heeft gedaan. Die regeling geldt ook voor de heffing van omzetbelasting, aldus het middel. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte uit het arrest Barlis afgeleid dat geen plaats kan zijn voor toepassing van de verzwaarde bewijslast. BTW-richtlijn 2006 bevat in dit opzicht geen regels over de verdeling van bewijslast en de mate van te leveren bewijs. Artikel 27e, lid 1, AWR is een bepaling van nationaal recht die deel uitmaakt van de inrichting van het fiscale procesrecht in Nederland, waaronder zijn begrepen de procesregels voor het beslechten van geschillen over de heffing van omzetbelasting. De regels van het fiscale procesrecht vallen binnen de procedurele autonomie van de lidstaten mits deze niet in strijd zijn met de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Een dergelijke strijdigheid doet zich bij de regeling van artikel 27e, lid 1, AWR niet voor, aldus het middel. Omkering en verzwaring van de bewijslast 4.2.1 Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop. 4.2.2 Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet OB brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op de ondernemer die het recht op aftrek wil uitoefenen, rust de last het bewijs te leveren dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan. Voor het leveren van het bewijs van het recht op aftrek geldt in beginsel de in belastingzaken als regel geldende maatstaf van aannemelijk maken. 4.2.3 Op grond van artikel 14, lid 1, van de Wet OB, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 10 AWR, is de ondernemer gehouden de aangifte voor de omzetbelasting te doen binnen de daartoe door de inspecteur gestelde termijn. Indien de ondernemer nalaat de hiervoor bedoelde aangifte te doen en de inspecteur hem daarop een naheffingsaanslag oplegt, schrijven artikel 25, lid 3, AWR, artikel 27e, lid 1, AWR en artikel 27h, lid 2, AWR dwingend de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast voor. Dit brengt mee dat de ondernemer de stelplicht en de verzwaarde bewijslast draagt van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de vraag dat en in hoeverre de naheffingsaanslag onjuist is. De verzwaarde bewijslast betekent dat de ondernemer niet kan volstaan deze feiten aannemelijk te maken, maar dat hij deze overtuigend moet aantonen. 4.2.4 De belastingplichtige die niet heeft voldaan aan een uitnodiging van de inspecteur tot het doen van aangifte, kan niet aan omkering en verzwaring van de bewijslast ontkomen door alsnog aan de uitnodiging tot het doen van aangifte te voldoen nadat de inspecteur een belastingaanslag naar een geschat bedrag heeft vastgesteld. 4.2.5 Verder geldt dat de belastingrechter in feitelijke instantie op grond van artikel 27e, lid 1, AWR en artikel 27h, lid 2, AWR is gehouden om de bewijslast om te keren en te verzwaren, ongeacht het standpunt van procespartijen daarover, indien de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven. Verenigbaarheid van een dwingende regeling tot omkering en verzwaring van de bewijslast met BTW-richtlijn 2006 4.3.1 In deze zaak staat vast dat belanghebbende over het betrokken tijdvak niet de op grond van artikel 14, lid 1, van de Wet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 10 AWR, vereiste aangifte heeft gedaan. De vraag is of het Hof terecht ervan is uitgegaan dat BTW-richtlijn 2006 zich wat betreft het leveren van het bewijs van het recht op aftrek verzet tegen toepassing van het bepaalde in artikel 27e, lid 1, AWR en artikel 27h, lid 2, AWR. 4.3.2 BTW-richtlijn 2006 bevat geen regels als het gaat om de verdeling van de bewijslast en de daarbij te hanteren bewijsmaatstaf in een procedure over een opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 4.3.3 Waar het gaat om het uitoefenen van het recht op aftrek, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op aftrek van btw, moet bewijzen dat hij zowel voldoet aan de materiële voorwaarden voor aftrek als bedoeld in met name de artikelen 168 en 169 van BTW-richtlijn 2006, alsook aan de formele voorwaarden daarvoor zoals neergelegd in artikel 178 van BTW-richtlijn 2006. 4.3.4 Wat betreft de materiële voorwaarden heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 4 september 2025, SC Arcomet Towercranes SRL, C-726/23, ECLI:EU:C:2025:646, eraan herinnerd dat slechts aanspraak kan worden gemaakt op aftrek van voorbelasting indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.